Ontwikkeling van mensen en ideeën – dat boeit mij

‘Telkens als je een gesprekspartner iets positiefs kunt meegeven, is dat een bouwsteen voor een betere wereld.’ Foto Studio Kastermans

„Frits Philips was mijn vader. Anton Philips, medegrondlegger van het concern, was mijn grootvader. Zelf heb ik zestien jaar voor het bedrijf gewerkt. De vervulling van mijn levensdoel heeft me dat niet gebracht. Pas toen ik een eigen bedrijf oprichtte, kon ik aan de slag met wat mij altijd het meest heeft geboeid: de ontwikkeling van mensen en ideeën.

„Ik was vijftien jaar, twee jaar na de Tweede Wereldoorlog, toen mijn vader me meenam naar een conferentie over morele herbewapening in Zwitserland. De missie was: ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’ Mensen zouden moeten leven volgens vier principes: eerlijkheid, zuiverheid, onzelfzuchtigheid en liefde.

„Die conferentie is richtinggevend geweest voor mijn ontwikkeling. Ik dacht: ‘Philips kan als bedrijf aan die betere wereld bijdragen. Wil ik hierin een rol spelen, dan moet ik ingenieur worden.’ Ik heb vier jaar in Delft gestudeerd, maar ik liep niet warm voor techniek. Ik was vooral geïnteresseerd in mensen.

„In die jaren heerste de angst voor een verdere ideologische opmars van het communisme. Ik vreesde dat ons land in Sovjet-handen zou zijn gevallen voordat ik bij Philips invloed zou hebben. Twaalf jaar lang heb ik me toen als vrijwilliger ingezet voor morele herbewapening, om een betere weg te bieden naar een rechtvaardige samenleving. Pas op m’n 36ste ben ik aan mijn eerste baan bij Philips begonnen.

„Mijn idealisme schoof in die jaren geleidelijk naar de achtergrond. Ik moest gewoon hard werken. Mijn achternaam mocht dan wel Philips zijn, maar een familiebedrijf was het niet meer – ik moest mezelf bewijzen als ieder ander.

„Achteraf zeg ik: ik kende mezelf niet goed genoeg toen ik bij Philips ging werken. Ik was me er niet van bewust welke taken in mijn werk moesten zitten om mijn capaciteiten zo goed mogelijk te ontplooien en mij voldoening te geven in mijn werk.

„In 1980 kreeg ik van een van mijn broers een artikel van een Amerikaan, Arthur F. Miller. Ik las een zin die mij echt raakte: ‘Is het niet merkwaardig dat de meeste mensen onderwijs genieten, dan aan hun werkende leven beginnen, af en toe van werkgever veranderen, en werken totdat ze ermee ophouden, zonder dat ooit op systematische wijze is onderzocht wat de talenten van deze persoon zijn en hoe die maximaal uit de verf kunnen komen?’

„Bij een reis naar de VS heb ik Miller opgezocht. Hij had een ‘systeem voor indivi- duele motivatie-analyse’ ontwikkeld. Hij werkte niet met vaste vragenlijsten, hij ging uit van ieders eigen verhaal. Zijn kernvraag luidde: ‘Kijk terug op je leven, tot in je vroegste jeugd, en vertel gedetailleerd over momenten waarop je met grote bevrediging terugkijkt. Met andere woorden: wanneer was je op je best?’ Uit deze ervaringen kun je patronen halen om vervolgens bewuste keuzes te maken in je leven.

„Hier zit een parallel met de morele herbewapening. Ook die gaat uit van de gedachte dat we de wereld kunnen verbeteren als ieder mens het beste in zichzelf naar boven weet te halen. Dát zou het doel moeten zijn van iedere organisatie, ook van bedrijven. Geld, winst maken, heeft een veel te dominante plaats gekregen. Het gaat om mensen, hun ideeën – en hoe je daarmee vorm geeft aan een evenwichtige samenleving. Tegenwoordig zouden we dat ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ noemen.

„Begin jaren ’80 heb ik geprobeerd de methode-Miller tot onderdeel van het personeelsbeleid bij Philips te maken. Dat vond toen nog geen weerklank, waarna ik zelf een bureau voor loopbaanadvies heb opgericht. In die jaren, omstreeks m’n 56ste, is de ‘derde helft’ van mijn leven begonnen, en die duurt nog altijd voort.

„Een jaar of zeven geleden heb ik mijn bureau overgedragen. Toen ben ik doorgegaan met een stichting die scholieren helpt om bewust studie- en loopbaan- keuzes te maken. Van de eerstejaars studenten stopt of verandert 35 procent van studierichting. Zij kozen verkeerd, omdat zij zichzelf en hun studie onvoldoende kenden. Dat is zuur en duur.

„Met dit werk maak ik lange weken, nog steeds, zoals ik altijd heb gedaan. Onze stichting heeft medewerkers in dienst, we geven trainingen, voeren coaching- gesprekken. Het is prachtig jonge mensen te ontmoeten, op scholen en universiteiten te komen, lezingen te geven.

„Het allerbeste voel ik me in gesprekken één-op-één. Telkens als je een gesprekspartner iets positiefs kunt meegeven, is dat een bouwsteen voor een betere wereld. Laatst, op de verjaardag van mijn zoon, sprak ik een jonge vrouw die net een andere functie binnen haar bedrijf had gekregen, waarin ze zich helemaal niet thuis voelde. Ik hoorde haar verhaal en zei: ‘Ga eens met je baas praten en zeg: als je me deze functie laat doen, laat je mijn échte capaciteiten onbenut en dat is jammer voor mijzelf en de organisatie.’ Zo had ze er nog niet over nagedacht. Ze was duidelijk blij met m’n suggestie.

„Graag zou ik ook moslimjongeren een aantrekkelijk perspectief voor hun toekomst willen geven als alternatief op het jihadisme. Kennelijk zit er iets in het islamitisch extremisme dat hen daarvoor doet kiezen, terwijl ze zich ook zouden kunnen inzetten voor de veranderingen die nodig zijn in onze samenleving. Wij hebben hier kennelijk geen groot en positief verhaal meer te vertellen waarvoor zij warm kunnen lopen, over de ideale maatschappij die ons voor ogen staat.

„Ik heb het gevoel dat ik nog vele jaren vooruit kan in dit werk. Mijn vader werd honderd; ik ga er maar van uit dat ik ook nog flink wat jaren voor de boeg heb. Laatst was ik op een reünie in Delft met 45 jaargenoten. Ik was eigenlijk de enige die nog volop aan het werk is. De rest doet dingen met de familie, reizen, uitstapjes, hooguit een cursus kunstgeschiedenis of filosofie. Ook goed. Maar dat is niet wat mij boeit.”