Nederland staat nog niet onder water; dat vergt constante zorg

De watersnoodramp van 1953 (1.836 doden, 100.000 mensen raakten hun huis kwijt) en de overstromingen van de grote rivieren in 1995 (250.000 inwoners werden geëvacueerd, evenals de veestapels van boeren) waren alarmerende gebeurtenissen. Ze leidden respectievelijk tot de Deltawerken in Zeeland en Zuid-Holland en tot versnelde versterking van de dijken langs de Maas, de Rijn, de Waal, de IJssel en andere rivieren.

Reactieve maatregelen dus, die eraan herinnerden dat er niet te spotten valt met het gegeven dat 60 procent van Nederland onder water kan lopen. Dat besef zakt weleens weg bij burgers en bestuur. Opvallend genoeg herinnerden buitenstaanders daar dit jaar nog aan. De OESO, het samenwerkingsverband van 34 rijkere industrielanden, publiceerde in maart het rapport Water Governance in the Netherlands – Fit for the Future? waarin dit gebrek aan bewustzijn van de overstromingsrisico’s werd aangestipt.

Op Prinsjesdag verschijnt het Deltaprogramma 2015, waarin het kabinet concreet zal aangeven welke beslissingen definitief zijn – en de instemming van de Tweede Kamer vergen – nadat de afgelopen jaren diverse plannen zijn voorbereid. Dat is gebeurd onder coördinatie van de ‘Deltacommissaris’, een functionaris die er is gekomen nadat een commissie onder leiding van oud-minister Veerman advies had uitgebracht. Dat rapport, uit 2008, constateerde dat er een nieuwe Deltawet moest komen, omdat de bestaande en afgesproken maatregelen verouderd waren om Nederland afdoende tegen overstromingen te beschermen.

Deltacommissaris Wim Kuijken onderstreept vandaag in deze krant de urgentie van de plannen die straks de parlementaire goedkeuring zullen moeten krijgen. Naast bijvoorbeeld het wegwerken van achterstallig onderhoud waarmee sommige dijken te kampen hebben, in het bijzonder in het rivierengebied. De diagnose is bekend. Behalve de permanente bedreiging die per definitie geldt voor een land dat voor een flink deel onder de zeespiegel ligt, zijn er de risico’s die door klimaatverandering worden veroorzaakt. Zoals hogere gemiddelde temperatuur, meer heftige regenperiodes, stijgende zeespiegel, dalende bodem.

Uit de woorden van Kuijken – „mijn grootste zorg is: zijn we op tijd klaar” – spreekt de vrees dat dit weleens niet het geval zou kunnen zijn. Daarmee onderstrepen ze de urgentie van maatregelen en afspraken die nu eens proactief zijn; die moeten voorkomen dat er zich (bijna-)rampen als in 1953 en 1995 voltrekken.

Naast min of meer conventionele, waterstaatkundige maatregelen als dijkverzwaring- of verhoging en rivierverbreding- of verdieping kunnen ook juridisch/politieke ingrepen bijdragen aan de preventie. Zoals de zogeheten watertoets. Die verplicht bouwers, gemeenten en andere betrokkenen om bouwplannen en infrastructurele werken voor te leggen aan een waterschap. Om ze simpelweg te beoordelen op het overstromingsrisico. Dat is net zo zinvol als een brandveiligheidstoets. Het blijkt dat de minister van Infrastructuur, Schultz van Haegen (VVD), overweegt de watertoets als verplichting te schrappen. Verstandig zou dat niet zijn. Al te vaak is er in Nederland bebouwing verrezen op plekken waar dat achteraf onveilig bleek te zijn als het water ging wassen. Niet elke deregulering is een verbetering, voorzichtig uitgedrukt.

Niet alleen het belang van droge voeten is een overweging bij het keren van zee- of rivierwater. Er zijn economische factoren in het geding die het logisch maken dat het kabinet de veiligheidsnormen – de statistische kans op een overstroming – aanpast en varieert. Het is een feit dat tot de eerder genoemde 60 procent van het Nederlandse grondgebied de grote steden behoren, net als Schiphol en andere centra die de kurk vormen van de economie. Immateriële en materiële schade zijn in deze dichtst bevolkte gebieden het grootst; extra bescherming is dus gewenst.

De nieuwe Deltawerken gaan tientallen jaren duren en Nederland veel geld kosten, er is tot 2028 alvast een miljard euro per jaar voor gereserveerd. Of die termijn verlengd moet worden is iets dat, anders dan Deltacommissaris Kuijken wenst, toch vooral van latere, politieke zorg is. Zolang de beleidsmakers maar het klassieke principe ‘veiligheid voor alles’ hanteren.