Middeleeuwse jamsessies

Zang uit de late Middeleeuwen wordt strak en cerebraal uitgevoerd. Onterecht, vindt onderzoeker Niels Berentsen. Zangers improviseerden, de muziek werd ‘bijna lichamelijk’.

Foto Corbis

Meerstemmige muziek uit de late middeleeuwen en renaissance klinkt ingenieus. Het zijn vaak ingewikkelde composities voor drie, vier of nog meer zangstemmen. Ze kunnen nog steeds worden uitgevoerd omdat ze ooit helemaal in muzieknotatie zijn uitgeschreven. Ook dit jaar klinken er weer veel op het Festival Oude Muziek in Utrecht (29 augustus tot 8 september).

Maar de zangers uit die tijd konden ook heel goed improviseren, met zijn drieën of vieren. Dat ze het deden is bekend. Alleen, hoe ze dat deden en hoe dat klonk, weten we niet zo goed. Niels Berentsen probeert die verdwenen improvisatiepraktijk te reconstrueren, door de oude handboeken en partituren goed te bestuderen, maar vooral ook door het gewoon zelf te proberen. Zelf improviseren, met professionele zangers en conservatoriumstudenten, en dan kijken wat daar uitkomt, wat wel kan en wat niet kan. Een soort experimentele musicologie.

Berentsen hoopt op dit onderzoek te promoveren bij het Orpheus Instituut in Gent en de Leidse Universiteit. Komende zondag presenteert hij de eerste resultaten van het onderzoek op het Utrechtse oudemuziekfestival. Xavier Vandamme, artistiek leider van het festival zei donderdag in deze krant dat hij snakt naar vernieuwing. „Alles lijkt op elkaar”, aldus Vandamme.

Berentsen vergelijkt zijn onderzoek met experimentele archeologie. „Als je wilt weten hoe een schip uit de Gouden Eeuw eruit zag, kun je kijken naar archeologische vondsten en oude afbeeldingen van die schepen. Maar pas als je probeert zelf zo’n schip te bouwen, kom je er echt achter hoe het in elkaar zit.” Zo is het dus ook met die oude muziek.

Berentsen is niet alleen onderzoeker, maar ook een geschoolde tenor. Hij kent het repertoire dat hij onderzoekt uitstekend – muziek uit de veertiende en vijftiende eeuw – en, niet onbelangrijk, hij leest redelijk goed Latijn. Want de oude handboeken zijn geschreven in een niet altijd even gemakkelijk muziektheoretisch middeleeuws Latijn. In die boeken worden de principes beschreven van het combineren van stemmen tot mooie drie- of vierstemmige muziek. Vaak is niet duidelijk of het om componeerprincipes of improviseerprincipes gaat.

„Improviseren en componeren lagen in die tijd heel dicht bij elkaar”, zegt Berentsen. „Een koorknaap leerde zingen en noten lezen, maar ook contrapunctus: hoe je een melodie verfraait door er een tweede stem aan toe te voegen, en daarna eventueel nog een derde en een vierde stem.”

Beweging

Het lijkt op het eerste gezicht moeilijk om met een groepje zangers in de stijl van die tijd te improviseren. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? In die oude polyfone muziek is het muzikale uitgangspunt altijd een bestaande melodie, meestal een langzame Gregoriaanse melodie, maar het kon ook een volksliedje zijn, gewoon iets wat op straat of in de kroeg gezongen werd. Iemand zingt dan die melodie. Een tweede zanger kan daar een bovenstem overheen zingen, die de melodie precies volgt in zijn opgaande en neergaande beweging. Dat doe je door het verschil tussen de eerste en de tweede stem (dat verschil heet: interval) steeds even groot te maken. ‘Parallelle intervallen’, wordt dat ook wel genoemd - een techniek die je heel gemakkelijk op je gevoel kunt toepassen en die ook in de hedendaagse populaire muziek nog veel wordt gebruikt.

In de middeleeuwen en de renaissance werkten ze soms ook met parallelle intervallen. Maar liever wilde men dat de tweede stem zich anders omhoog en omlaag bewoog dan de eerste stem, en dat kun je alleen doen door die tweede stem ten opzichte van de eerste stem afwisselende intervallen te laten maken. Bijvoorbeeld (voor de muzikaal geschoolden onder ons) een continue afwisseling van tertsen, kwinten en octaven. Op papier kun je dat makkelijk componeren. Maar kun je dat ook improviserend voor elkaar krijgen?

Berentsen: „Wat ik zelf doe, met eerstejaars conservatoriumstudenten: ik neem een toonladder, iemand zingt de eerste noot van die toonladder en een andere student zingt daar dan álle noten boven die daar goed bij klinken. Alle ‘consonante’ intervallen. Daarna pakken we de tweede noot van de toonladder, etcetera. Dat oefen je een aantal keren. Daarna pak je in plaats van die toonladder een heel langzame melodie. De studenten weten inmiddels waar de consonante noten zitten en kunnen dan nog steeds de juiste combinaties maken. Daar kunnen ze mee gaan spelen. Op die manier leren ze het meer met het oor dan met het brein, wat een voorwaarde is voor succesvol improviseren.”

De consonante intervallen, dat zijn: de terts, de kwint, de sext en het octaaf. Berentsen: „Alle andere intervallen, de dissonante intervallen dus, zijn ook welkom, maar op een andere manier. Die moeten snel voorbijgaan. Daar zijn allerlei regels voor. Bijvoorbeeld: bij sommige opeenvolgingen van consonante intervallen mag je daartussenin éven een dissonant interval gebruiken.”

Er zijn nog andere improvisatie-technieken waar Berentsen mee experimenteert. Bepaalde manieren om canons te zingen bijvoorbeeld – wat we tegenwoordig nog altijd een beetje kunnen (Vader Jacob). Korte muzikale motiefjes telkens laten terugkeren. Een melodie verfraaien met versieringen. Ritmische effecten.

„Maar ook, bijvoorbeeld, de techniek van fauxbourdon. Je gaat dan uit van standaardakkoorden. Bij iedere noot van de toonladder hoort een standaardakkoord, in drie of vier stemmen. Dat ligt vast. Het is vrij gemakkelijk en het klinkt meteen heel leuk. Als je dat driestemmig doet en je laat de hoogste stem daarbinnen ook nog mooie versierinkjes maken, dan klinkt dat echt als Dufay.” Als een van de belangrijkste vijftiende-eeuwse componisten dus.

Ritmische energie

Wie improviseert, kijkt met heel andere ogen naar de gecomponeerde muziek. Sommige composities uit de 14de, 15de en 16de eeuw blijken dan veel improvisatie-achtige elementen te bevatten. „Bijvoorbeeld de beroemde Missa Hercules dux Ferrariae van Josquin des Prez. Daarin zit een motief dat steeds maar terugkomt en aan dat stuk een enorme ritmische energie geeft. Dat klinkt echt improvisatie-achtig. Ik kan me nu voorstellen hoe zo’n improvisatie gegaan moet zijn: zangers die motiefjes herhalen met elkaar, daarbij een soort battle met elkaar aangaan, met elkaar wedijveren wie de meest ingenieuze toevoeging kan maken. Dat is bijna iets lichamelijks. De muziek van de late middeleeuwen en de renaissance wordt tegenwoordig vaak als heel cerebraal ervaren. En ook zo uitgevoerd. Maar dat klopt helemaal niet.”

Leren improviseren binnen een verdwenen muziekstijl heeft volgens Berentsen vooral ‘muziekpedagogisch nut’. „Het idee is dat mensen die ook improviserend muziek maken, daarna beter begrijpen wat ze zingen of spelen als ze weer een uitgeschreven compositie interpreteren. Dat ze beter begrijpen waarom een noot daar staat. En daarnaast is het natuurlijk ook een enorm goede manier om het oor te ontwikkelen.”

Verder zou het af en toe een leuk extraatje kunnen zijn tijdens concerten: „Het publiek vindt het waarschijnlijk wel leuk en spannend als de zangers tussendoor iets à l’improviste gaan doen.”

    • Berthold van Maris