Kabinet wil optreden tegen mogelijke jihadreizigers

Het kabinet wil zonder tussenkomst van de rechter terreurverdachten kunnen aanpakken. Wie naar Syrië wil reizen, wordt lastiggevallen.

Het kabinet bereidt verregaande maatregelen voor om (potentiële) jihadreizigers op te sporen, lastig te vallen, te straffen, tegen te houden en op te sluiten. Dat blijkt uit een brief die ministers Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) en Lodewijk Asscher (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, PvdA) vrijdag aan de Tweede Kamer hebben gestuurd.

Zo wil het kabinet mensen met een dubbele nationaliteit waarvan de veiligheidsdiensten denken dat ze lid zijn van een terreurgroep, zelf het Nederlanderschap kunnen ontnemen. Nu kan dat alleen na uitspraak van een strafrechter. Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) wil die rechtelijke toets vooraf wegnemen. Onder de nieuwe regels die het kabinet voorbereidt, kan Opstelten zelf het Nederlanderschap afnemen, en moet de getroffene achteraf zijn recht halen bij de bestuursrechter. Deze maatregel is alleen mogelijk bij mensen met een dubbele nationaliteit, omdat het stateloos maken van burgers indruist tegen het internationaal recht.

Mensen waarvan de staat denkt dat ze zich hebben aangesloten bij een terreurbeweging, komen nu al op een zogenoemde ‘sanctielijst’. Wie mensen op deze lijst met geld of informatie, helpt, moet in de toekomst strafbaar worden gesteld en kan zelf ook op de lijst worden geplaatst. De sanctielijst is in te zien op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Wie door de staat wordt verdacht van voorbereidingen om af te reizen naar strijdgebieden zoals Syrië of Irak, zal op allerlei manieren worden lastiggevallen. Opsporingsinstanties zullen onderzoek starten, mensen zullen worden aangemeld voor jeugdzorg, of bijvoorbeeld worden geweerd uit bepaalde wijken.

Het kabinet reageert met de lijst van maatregelen op kritiek van onder meer oppositiepartijen CDA en PVV dat het te weinig doet aan de aanpak van jihadgangers.

Voor de meeste van deze maatregelen moet het kabinet nog wetgeving maken. In een aantal gevallen is het daarom nog niet duidelijk welke instanties macht krijgen om mensen aan te wijzen als (potentiële) jihadgangers, en welke instanties verantwoordelijk worden voor het inzetten van de bedachte maatregelen. Zo is bijvoorbeeld nog onbekend welk staatsorgaan beslist of iemand kan worden achterna gezeten met onderzoeken, verstoringen en andere hinder.

Gezien de verregaande inbreuken op het privéleven van burgers, vaak zonder tussenkomst van de rechter, is het denkbaar dat sommige voornemens onhaalbaar zijn. Door een groot deel van de maatregelen onder het bestuursrecht te laten vallen, zal voor de staat de bewijslast minder zwaar zijn – en zijn er ook minder waarborgen voor de betrokken burger.

Het kabinet neemt ook allerlei maatregelen om de radicalisering van jongeren te voorkomen, en om verspreiding van het gedachtengoed van gewelddadige islamitische extremisten via internet te bemoeilijken. Daarvoor wordt een team bij de Nationale Politie opgericht.