Je kunt het geheel van oneindig klein tot oneindig groot de werkelijkheid noemen

Deze zomer behandelt de wetenschapsredactie Grote Vragen die lezers bezighouden. De Grote Zomervraag dit weekend is: wat is werkelijkheid?

Illustratie Rik van Schagen

Iedere ochtend stappen we in een nieuwe werkelijkheid. Meestal merk je er niks van, maar soms is er de lichte verwarring van ontwaken en geen flauw idee hebben waar je bent. Snel volgt dan het verlossende ‘Oh ja, ik was bij X gaan logeren’. Een zwaardere aanval op het realiteitsbesef is het beruchte ‘vals ontwaken’: dromen dat je wakker wordt. Na een narcose zou de filosoof Bertrand Russell dat zelfs honderden keren achter elkaar hebben beleefd. De recente film Inception met zijn grote stapeling van dromen in dromen is daar niks bij. Na vals ontwaken blijft de hele dag knagen: ‘is dit alles ook maar een droom?’.

De angst dat we in een droom leven is geen onzin. In zijn boekje What is reality. A very short introduction (2011) maakt filosoof Jan Westerhoff de verontrustende rekensom dat de kans dat een mens op een willekeurig moment van bewustzijn droomt zelfs zo’n 10 procent is. Want per dag is een mens gemiddeld 16 uur wakker en 1,6 uur dromend. Ik hoop niet dat ik nu dit stuk slapend heb geschreven en dus morgenochtend met lege handen sta. Of erger nog: dat u, lezer, dit slapend leest. Gelukkig herkennen we meestal snel de gekkigheid van een droom. De werkelijkheid is vollediger en consequenter.

Bij normaal ontwaken wordt de menselijke werkelijkheid (de vertrouwde omgeving, het persoonlijk web van plichten en pleziertjes, de persoonlijke biografie) als het ware weer in het bewustzijn geladen, zoals bij een computer die zijn besturingsysteem en standaardprogramma’s opstart. Bij volwassenen gaat dat soepel en razendsnel, maar bij kinderen kan het verkeerd gaan. Vandaar hun soms totale verwarring in de nacht. Gestommel op de gang, geschreeuw in de nacht: wat is hier de werkelijkheid?

De waarheid is waarschijnlijk: er is niet één basale, unieke werkelijkheid. Want zoals de moderne wetenschap ons leert: het arme kind dat ’s nachts in paniek zoekt naar zijn identiteit is tegelijkertijd ook een optelsom van quantummechanische waarschijnlijkheden diep in de ontelbare protonen en elektronen waaruit het kind is opgebouwd. Wat is het echtere fenomeen? Wij natuurlijk, zeggen de elektronen in het kind. Maar het kind, die reusachtige molecuulstructuur die ’s nachts door het huis stommelt, zal zelf iets heel anders antwoorden.

In wetenschappelijke kring wordt de vraag naar werkelijkheid doorgaans reductionistisch beantwoord. Dat is het makkelijkst. Dat kind en de houten vloer waarop het loopt bestaan tenslotte uit organische verbindingen die bestaan uit atomen die weer bestaan uit quarks die weer bestaan uit, eh, dat zoeken we nog uit, iets met quantumschuim of snaren. En dus zijn quarks (of die snaren) de diepste, de echte werkelijkheid. Maar quarks verklaren niet waarom het kind gaat dwalen in de nacht. Dieper is niet echter.

In een stukje in The New Scientist (29 september 2012) onderscheidt Westerhoff, naast deze reductionistische werkelijkheid ook nog een ‘objectieve definitie’ van de werkelijkheid. Reëel is dan alleen wat buiten de mens bestaat. Weg met de persoonlijke werkelijkheid. Het is ‘een wereld onaangeraakt door verlangens en bedoelingen’. Alleen lichtfrequentie is objectief. Maar ook dan blijven van het dwalende kind alleen de moleculen over en een stommelend lichaam dat kennelijk gestuurd wordt door reflexen.

Er is een uitweg uit deze nachtmerrie. Er is best een hiërarchie van structuren te bedenken waarin ieder nieuw werkelijkheidsniveau is gebouwd op de vorige. Weg met het reductionisme! De moeilijk definieerbare liefde tussen twee mensen is dan even werkelijk als de moleculen van het geslachtshormoon dat die liefde kan voortdrijven. De regenboog even mooi als de lichtbrekingswetten.

Vanuit dat wijdere perspectief wordt de werkelijkheid een soort mengeling van het oude religieuze idee van ‘The Great Chain of Being’ en de wetenschappelijke film ‘Powers of Ten’ uit 1977. In het oude religieuze idee zijn alle niveaus van de schepping onderling verbonden: van de materie via dieren en mensen tot aan de hoogste engelen. In de film uit 1977 wordt vanuit een picknickscène eerst stapsgewijs uitvergroot naar het complete heelal en daarnaar juist ingezoomd naar de kleinste kerndeeltjes – met een bereik van 10-16 tot 1024 meter.

Met de natte vinger zijn er snel een dozijn niveaus te onderscheiden, te beginnen met de allerkleinste schalen: quarks en kerndeeltjes zoals protonen. Wie wil, kan komen tot 14 miljard lichtjaar, zo ongeveer de straal van het zichtbare universum.

Je kan dat geheel – van oneindig klein tot oneindig groot – best de Werkelijkheid noemen. Vervolgens is wel de opgaaf om er een eenheid in te ontdekken die alles bepaalt en alles doorademt: van elektronenwolkgedrag tot aan zoogdierevolutie, en van de laatste Tour de France tot aan de Quasar Groep U1.27 (met een breedte van 4 mld lichtjaar waarschijnlijk de grootste bekende structuur in het heelal ).

En dat valt natuurlijk niet mee. Aan het begin van de Wetenschappelijke Revolutie deed de filosoof Baruch de Spinoza (1632-1677) al eens een poging. Hij noemde dat Geheel een ens absolute infinitum: ‘een volstrekt oneindig bestaan, dat wil zeggen een substantie die uit oneindige attributen bestaat, waarvan ieder een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt’.

    • Hendrik Spiering