Ja mevrouw, ik was soldaat

Acteur en presentator Joost Prinsen herinnert zich zijn verplichte militaire dienst als de periode in zijn leven waarin hij „werkelijk niets” heeft geleerd. Wel hield hij er een fascinatie met de krijgsmacht aan over, vandaar zijn interesse in minister van Defensie Jeanine Hennis. „Het is toch onwaarschijnlijk moeilijk, zo’n baan?”

Tekst Tom Kreling en Hugo Logtenberg, foto’s Kees van de Veen

Joost Prinsen (72) heeft een dutje gedaan als hij rond zes uur de tuin van Landgoed Duin en Kruitberg in loopt. Een uur daarvoor is hij gearriveerd uit Hilversum. Daar heeft hij drie afleveringen van de quiz Met het mes op tafel opgenomen. Met zijn bekende, karakteristieke stem stelt hij zich voor aan Jeanine Hennis-Plasschaert (41), minister van Defensie. „Dag mevrouw. Joost Prinsen.”

Hennis reageert enthousiast. „Ik zit veel in de auto en heb vaak naar u geluisterd op de radio.” Ze doelt op Radio Kunststof, het culturele radioprogramma van de NTR, waarvan Prinsen de aan- en afkondiging doet. Prinsen: „Al bijna drieduizend afleveringen.” Dan tegen de ober: „Heeft u een glas bier voor me?”

Hennis zit al even. Ze is om kwart voor zes door haar chauffeur afgezet en op het terras gaan zitten. De zon in de rug.

Ze kijkt naar de fles rosé die de ober komt brengen en twijfelt even. Doe maar een halfje, zegt ze dan, en wat water. „Anders val ik om. Ik heb net gesport.” Zondag is haar sportdag. Ze heeft het nodig om fit te blijven, vertelt ze. Doordeweeks sport ze op het ministerie. Soms doen andere ministers mee. Ze moet grinniken en wil aan een mooie anekdote beginnen. Dan valt ze stil. „We zijn nog niet begonnen, toch?”

Hennis (VVD) is zichtbaar op haar hoede. Ze heeft de hele zomer doorgewerkt. Het vliegtuig van Malaysia Airlines dat boven Oekraïne werd neergeschoten. Gedoe over een Afghaanse tolk die voor Nederland werkte tijdens de missie in Afghanistan en geen asiel in Nederland krijgt. Oud-medewerkers van Defensie die zich hebben gemeld met gezondheidsklachten na blootstelling aan de gevaarlijke stof chroom-6. Allemaal dossiers waar ze weinig over kan zeggen.

Ze vertelt dat ze op vakantie zou gaan met haar man en stiefzoon van vijftien. Op haar verzoek naar een „prikkelarme” locatie. Dus huurden ze een huis in Bretagne, op een rots. Geen vermaak in de buurt. Geen gedoe. Helemaal wat Hennis nodig had. Stilte en rust.

Toen stortte de MH17 neer. ‘Ga maar vast’, zei ze tegen haar man en stiefzoon. ‘Ik kom later wel’. Ze kwam niet meer. Ze kon niet weg. „Na anderhalve week belden ze op. Dat het wel heel erg prikkelarm was. Moet je voorstellen, een puber van 15 en niets te doen. Zelfs geen internet!” Ze kwamen naar huis. Dan zagen ze haar tenminste nog eens. „Ik heb de hele zomer één dag vrij gehad, een dinsdag”, zegt ze. In het najaar neemt ze een lang weekend vrij, heeft ze zichzelf beloofd. Ze pakt een hapje van de schaal die op tafel staat en wil die in haar mond steken. Ze wacht even. „Niet etend op de foto, hè”, zegt ze tegen de fotograaf.

Maar als ze met Prinsen de tuin in loopt, ontspant ze enigszins. De acteur en televisiepresentator vertelt over de opnames die hij net achter de rug heeft. Of er nog bijzondere kandidaten tussen zaten? Prinsen schiet in de lach. „Nou”, zegt hij, „er was een vrouw en die wist helemaal niets. Echt niets.” Het was zo’n „typische VVD-mevrouw”, zegt hij verontschuldigend richting Hennis. Hij doet de vrouw na. „Meneer Prinsen, het is mij een raadsel hoe ik door al die selecties heen ben gekomen.” Nee, hij wist niet wat hij met haar aan moest. „Soms hoon ik de kandidaten nog wel eens: wat doet u hier?” Hennis oppert dat de vrouw met bluffen er misschien nog wat van had kunnen maken. Dat wuift Prinsen resoluut weg. „Ben je gek, vrouwen die bluffen?” Er is een groot verschil tussen mannelijke en vrouwelijke kandidaten, vertelt Prinsen. „Je hebt bijna geen vrouwen die uitstralen: ik wil winnen. Mannen hebben dat veel meer. Vrouwen gaan zitten om niet af te gaan, ze doen mee om niet te verliezen.”

Hennis: „Dat beeld herken ik wel.”

Prinsen heft zijn glas bier en proost met Hennis. Hun ontmoeting is zijn idee. Hennis kijkt verrast als ze dat hoort. „Echt?”, vraagt ze. „Waarom?” Prinsen vertelt dat hij een band heeft met de krijgsmacht. En hij is benieuwd naar de praktische kant van het ministerschap. Hoe doet ze dat allemaal? Prinsen: „Het is toch onwaarschijnlijk moeilijk, zo’n baan. Ik wil wel eens horen hoe dat gaat. En of je er wakker van ligt.” Prinsen tovert zijn meest charmante lach tevoorschijn. „U ziet er trouwens heel erg goed uit.”

Hennis: „Dank. Maar wilt u ‘u’ blijven zeggen, of zullen we ‘jij’ zeggen?”

Prinsen glimlacht opnieuw en zegt: „Ik wil best jij zeggen, maar de dame moet dat initiatief nemen. Vind je niet?”

Dan stelt Prinsen zijn openingsvraag. Hoe houdt ze politiek koers, wil hij weten. Hennis gaat er voor zitten. Dit is vertrouwd terrein: haar beleid uitleggen en verdedigen. Ze spreekt over de noodzaak van „focus” om richting te houden ondanks „de praktijk van alle dag” die „weerbarstig” is. „Maar daarmee vertel ik natuurlijk helemaal niks nieuws.”

Maar ja, daar kan ze niet voortdurend mee bezig zijn, die richting, want dan gebeurt er weer iets. Twee weken geleden nog. Komt ineens dat dossier over die gevaarlijke stoffen naar boven. „Dat kan ik uiteraard niet negeren. Daar moet ik dan mee dealen.” Ja, over die kwestie heeft Prinsen gelezen. „Stond in dat bericht niet dat het op het ministerie wel bekend was?”

Hennis is alert. Niet op de hoogte zijn, is altijd gevaarlijk in de politiek. Hennis: „Ik heb in juni al aangegeven: luister, ik word hier op geattendeerd door een oud-medewerker. Ik wil weten wat hier is gebeurd en welke informatie beschikbaar is. Maar dat is blijkbaar een aantal mensen ontgaan.” Ze doelt op een artikel op de voorpagina van de Volkskrant, twee weken geleden, waarin „om de een of andere reden” niet werd gerefereerd aan een brief aan de Tweede Kamer waarin ze al een onderzoek aankondigde. Dat zie je volgens haar vaker, dat de journalistiek de politiek stuurt. „De journalistiek heeft bijgedragen aan het opnieuw opwarmen van iets waarop ik al had gereageerd.” Opwarmen, als een soort ouwe prak? Hennis: „In alle eerlijkheid, ik vind óók dat als er zoiets heftigs naar boven komt, je van a tot z moet weten wat er aan de hand is. Dus had ik al actie ondernomen.”

Prinsen: „De uitdrukking ‘in alle eerlijkheid’ zou je eigenlijk af moeten leren. Je wekt de suggestie dat je in andere gevallen niet eerlijk was.”

Hennis lacht. „Je hebt gelijk. Het is echt zo’n standaardzinnetje.”

Prinsen citeert regisseur John Huston die acteur Michael Caine een keer een regieaanwijzing gaf. „Huston zei: ‘Michael, in deze rol mag je best wat sneller praten. Je bent een eerlijk mens.’ Een fantastische regieaanwijzing. Al die mensen die oneerlijk zijn, denken: ‘Oh God, spreek ik mezelf niet tegen?”

Dit is Joost Prinsen. De verteller. De man met een fabuleuze voordracht. Een taalpurist, die tegen de ober grapt als die zegt welke saus hij net over de vis heeft „gegooid”. „Dat zou ik de volgende keer niet meer zo zeggen, meneer.” Hennis geniet van zijn verhalen. Samen zitten ze in de zon en wandelen ze door de tuin. Ze lachen veel. Bij het naar binnengaan, zegt Hennis: „Ik ben helemaal blij om bij je te zijn. Echt. Nee, dat meen ik serieus.” Prinsen: „Jajaja.”

Binnen gaan ze zitten aan een grote tafel. In het midden een reusachtige kandelaar met drie witte kaarsen. Prinsen wil weten of Hennis nog wel eens stofzuigt, kookt en de boodschappen doet. „De klussen die ik moet doen van mijn vrouw.” Hennis: „Stofzuigen doe ik nog elk weekend. Verder doe ik weinig in het huishouden. In alle eerlijkheid, ik ben gewoon heel weinig thuis.”

Prinsen: „In alle eerlijkheid?”

Hennis: „O, dat ga ik nu afleren!”

Prinsen glimlacht. Uit zijn binnenzak haalt hij twee A4-tje’s. „Ik heb met mijn vriend Jan Kok een gedicht voor je geschreven.” Hennis: „Woh. Hoe bijzonder!” Prinsen: „Het heet: Een soldaat spreekt.” Dan, met gedragen stem en de leesbril op zijn neus:

Jawel, mevrouw ik was soldaat

Toen Staf nog op Defensie zat

Misschien een andere potentaat

Die niks met ons te schaften had

Wij, steeds te vroeg en nooit te laat

En zaterdags in bad

Jawel Mevrouw, ik was 2e klas

Die eenzaam door de modder kroop

Mijn kleding die lag waterpas

En schoon was kolf en haan en loop

En in de maat ging elke pas

Van een bange Neerlands Hoop

Twee jaar moest ik het leger in

En elke dag met tegenzin

Was ik soldaat vandaag de dag

Dan was mijn frons een brede lach!

Wat zou ik blij marcheren

Geweren presenteren

Door droge sloten tijgeren

Geen dienstbevelen weigeren

Op wilde paarden steigeren

Geduldig morse leren

Landmijnen demonteren

En was ik nog bij kennis

Dan dacht ik slechts aan Hennis

De een, zo lees je in de krant

Sterft graag voor Volk en Vaderland

Een ander krijgt op ’t veld een kruis

Voor zijn geloof of ’t koningshuis

Maar als ik val, de ogen sluit

En nooit meer iets zal zien

Prevel ik zachtjes voor me uit

Jeanine, Jeanine, Jeanine…

Hennis: „Zó, zó bijzonder. Mag ik je een dikke zoen geven?” Prinsen: „Zeker.” Hennis staat op en zoent hem op zijn wang. Dan gaat ze weer zitten en legt het gedicht voor zich op tafel. „Zo mannen, deze ga ik koesteren. Niemand krijgt me vanavond meer gek.”

Bij de amuse, een slushpuppy Bouillabaisse, verhaalt Prinsen over zijn diensttijd. „Ik had een commandant, kapitein Rugebregts, die op de schietbaan langskwam terwijl wij daar lagen te worstelen met een uzi. Rugebregts pakte een uzi en schoot zo, vanuit zijn heup, rrrrrrrrrrang die hele roos weg. Een beetje macho natuurlijk, maar als je twintig bent, maakt dat indruk.” Hennis lacht.

Prinsen: „Door de twee jaar dat ik in dienst heb gezeten, heb ik wel een band met de krijgsmacht.”

Hennis: „Wat mooi. Dat hoor ik vaker.”

Prinsen: „Toch had ik liever niet in dienst gezeten.”

Hennis verbaasd: „Hoezo niet?”

Prinsen: „Ik heb er werkelijk niets geleerd.” Hij neemt een slok van zijn bier en draait zijn stoel naar Hennis toe. „In mijn rekrutentijd heb ik een soldatenrevu gemaakt. Een majoor had dat gezien en zei toen ik daarna aan mijn dienstplicht moest beginnen: ‘Ik ga je administratief onzichtbaar maken.’ Ik had geen idee wat hij bedoelde. Ik werd in een hangar in Volkel geplaatst. Daar werd ik verantwoordelijk voor de bewaking van dozen met allerlei moertjes en schroefjes. De mannen daar zeiden: ‘Wát kom je doen? Er is nog nooit iemand geweest die hierop heeft gepast. Maar goed, ga zitten’.”

Hennis: „Echt?”

Prinsen: „Toen meldde die majoor zich. Die had het geregeld. Hij had een speellijst voor me waar ik overal moest gaan optreden in het land, met mensen als Willy Alberti. Ik had geen rijbewijs maar dat was geen probleem. De majoor had een chauffeur voor me geregeld. Zo heb ik mijn diensttijd vervuld.” Hennis luistert vol verbazing.

Prinsen: „Als ik niet optrad, zat ik in Volkel. Naast een sergeant uit Tilburg. Een man die eens in de maand een oefening moest doen waarbij hij een atoombom onder een vliegtuig moest monteren en vervolgens weer demonteren. De rest van de tijd zat hij te wachten bij een telefoon die mogelijk kon gaan rinkelen waarna hij zou horen: ‘Drop the big one!’ Die telefoon ging nooit.” Hennis lacht. Prinsen: „Om de tijd te doden maakten de sergeant en ik cryptogrammen en riepen als de rest koffie ging drinken: ‘Denken jullie ook aan de mensen die niet werken?!’”

Hennis: „Bizar. Heb je er wel íets geleerd?”

Prinsen: „Niets. Alles wat ik mezelf had aangeleerd moest ik op de toneelschool weer afleren. Ik was gewend om in Steenwijk voor een paar honderd militairen op te treden, dus dat ging van: BAM! Volume!” Hij schudt zijn hoofd. „Ik heb er werkelijk niets geleerd.”

Hennis: „Ik heb er wel een pracht van een gedicht aan overgehouden.”

Bij een glas Sauvignon Blanc serveert de ober een tartaar van langoustine met een gel van sinaasappel. Het gesprek komt op hun afkomst. Hennis vertelt over de scheiding van haar ouders toen ze drie was. Ze groeide op met haar broer bij hun moeder in Bodegraven. „Co-ouderschap bestond nog niet. Ik ging met enige regelmaat naar mijn vader. Dat ging eigenlijk allemaal prima. Wat wel vrij uniek was in die tijd, was dat mijn moeder werkte. Als juf op een basisschool. Ik was het eerste overblijfkind.”

Ze spreekt van een warm, liefdevol nest. Katholiek. „Ik ben gedoopt en gevormd.” Verder is het geloof vooral een herinnering aan vroeger. „Mijn opa van vaderskant hield altijd als we elkaar zagen mijn gezicht in zijn handen en zette dan met zijn duim een kruisje op mijn voorhoofd.” Prinsen: „Dat deed mijn moeder ook.”

Het contact met haar beide ouders is goed, benadrukt Hennis. Net als met haar jongere broer, werkzaam in de gasindustrie in Düsseldorf. Glunderend: „Hij gaat dit jaar op Prinsjesdag mee als mijn partner.”

Prinsen, vader van twee dochters: „Dat is mooi, Jeanine.”

Als tussengerecht serveert de ober een gegrilde harder met aardappelcrème en uiencompote. Prinsen verhaalt over zijn jeugd, als burgemeesterszoon. Een eveneens katholiek nest. Lid van een politieke partij was zijn vader niet. Prinsen: „Hij vond dat een burgemeester boven de partijen moest staan.”

In zijn geboortejaar, 1942, wordt zijn vader afgezet door de Duitse bezetter als burgemeester van Roosendaal. Prinsen: „Mijn vader was ook een amateurdichter. Hij had een nieuwjaarswens gedicht, wat werd afgedrukt in de plaatselijke krant. Het eindigde met: ‘Pampampampam, herstel het vaderland’. Mede op grond daarvan is hij toen afgezet en vervangen door een NSB’er.”

Hennis: „Wat indrukwekkend.”

Prinsen: „Afgezet vanwege een dichtregel. Daar ben ik nog altijd trots op.”

De ingreep van de Duitsers heeft zijn weerslag op het gezin Prinsen. „De wereld bestond daarna uit goeie en slechte mensen. Dommer kan natuurlijk niet want zo eenvoudig zit het niet in elkaar. In mijn ogen was mijn vader in ieder geval een held. Zeker toen hij in 1952 stierf en mijn moeder hem daarna promoveerde tot boven God.”

Hennis: „Dan stierf hij jong.”

Prinsen: „Ja, 56 jaar was-ie. Hij had een afwijking aan zijn hartklep, die ze nu zo zouden kunnen vervangen.”

Hennis: „Wat een moment.”

Prinsen: „De drie oudste kinderen haalden de drie jongste uit school met de mededeling dat vader was overleden. Ik was 9. Mijn oudere broer vertelde het me. Later zei ik tegen hem: ‘Dat is nogal wat voor een jongen van 9 om dat zo te horen.’ Toen zei hij: ‘Wat dacht je van mij? Ik was 16 en ik moest het je gaan vertellen’.”

Het is even stil aan tafel. Prinsen: „Ik wil het verder niet dramatiseren want ik heb een heel gezellige en gelukkige jeugd gehad.” Zijn moeder leert hem en haar andere kinderen bridgen. Prinsen: „Zo kon ze tenminste altijd spelen.” Hij is nog altijd verslingerd aan het spel. Bezocht talloze Europese en wereldkampioenschappen bridge en was erbij toen de Nederlandse dames onlangs opnieuw het WK wonnen. Prinsen: „Het was wurgend spannend.” Hennis buldert van het lachen. Prinsen: „Ik heb staan huilen. Zo mooi was het.”

Hij vertelt dat één van die dames meedeed aan de eerste aflevering van Met het mes op tafel. Prinsen: „Ik wilde per se dat de kijkers een vrouw zagen die kon winnen.”

Hennis: „En?”

Prinsen: „Ze won drie afleveringen achter elkaar.”

Hennis: „Wat mooi!”

Prinsen snijdt zijn hoender met maïscrème aan. „Zeg Jeanine, in hoeverre correspondeert jouw ambitie met de bliksemachtige carrière die je hebt gemaakt?”

Hennis: „Alles wat ik doe, doe ik met fanatisme. Dat het de politiek werd, was toeval. Ik werkte als ambtenaar voor de Europese Unie in Letland. Daar is mijn vrijheidsgevoel en de waarde daarvan ontwaakt. Onder meer door de verhalen van Letse collega’s over de Sovjetoverheersing. Dat Letland zou toetreden tot de EU was voor veel Letten geen aantrekkelijk vooruitzicht. Ze waren bang opnieuw op te gaan in een groot geheel. Die angst prikkelde mijn gedachten. En ik merkte steeds vaker: hé, ik heb een mening.”

Ze nipt aan haar glas merlot. „Ik woonde in een piepklein appartement in Riga. Ieder weekend speelde daar voor de deur een klein meisje prachtig viool, om geld te verdienen. Of het nou warm was of het sneeuwde. Daar luisterde ik naar terwijl ik zat te lezen. Bijvoorbeeld in We Sang Through Tears. Verhalen van Letten die naar strafkampen in Siberië zijn gezonden. Die herinneringen, het gevoel dat ik toen had, kan ik zo weer oproepen.”

Haar verblijf in Letland is de aanzet tot haar aanmelding bij de VVD, na terugkomst in Nederland. Eerst alleen als lid. In 2002 wordt ze politiek assistent van een VVD-wethouder op het Amsterdamse stadhuis. Dan gaat het snel. Via het Europees parlement en de Tweede Kamer belandt ze in 2012 in het huidige kabinet van VVD en PvdA. Het was Mark Rutte die haar vroeg. Hennis: „Ik mocht er met niemand over praten maar ik heb mijn echtgenoot meteen gebeld.” Lachend: „Die zat op de wc en sms’te terug: het komt nu niet uit. Ik bel je later.” Prinsen grinnikt. Hennis: „Mijn man was meteen enthousiast. ‘Doen!’, zei hij.”

Prinsen wil weten of ze wist waar ze aan begon. Henk Kamp, haar collega-minister en partijgenoot, had haar gewaarschuwd, vertelt ze. De eerste drie maanden als minister is het watertrappelen, daarna blijf je drijven. Hennis: „Het klopte precies.” Wat ze heeft geleerd is dat alle problemen zijn te ontleden tot oplosbare brokstukken. Hennis: „Dat is mijn belangrijkste les.”

Prinsen legt zijn hand op zijn hart terwijl hij Hennis aankijkt. „De VVD is niet mijn smaak maar die Henk Kamp bevalt me zeer. Degelijk en kennis van zaken. Zo moet een minister zijn.” Dan met het glas bier in zijn hand: „Hoed u voor flamboyante ministers!”

Hennis: „Ja, Henk is geweldig.”

Prinsen neemt een slok bier en lanceert zijn theorie, „na het volgen van vijftig jaar Nederlandse politiek”. Politici die overambitieus zijn, komen vroeg of laat ten val. Niet de echte talenten. „Daarvoor geldt in iedere discipline hetzelfde: die wil de groep als geheel uiteindelijk behouden, in welke functie dan ook.” Hennis luistert aandachtig. Prinsen is op dreef en maakt zich oprecht boos. „Bij D66 kwam op een gegeven moment een man bovendrijven, Boris Dittrich was zijn naam. May he rot in hell. Die begon zo te zwalken over de steun van zijn partij aan de militaire missie in Afghanistan, dat ik er duizelig van werd.” Prinsen, van nature geneigd PvdA of D66 te stemmen, keerde zich af van de sociaal-liberalen. Met een van walging doortrokken gezicht: „Toen heb ik die club jarenlang in de ban gedaan.” Hennis: „In alle eerlijkheid, Joost. Boris heeft zich ontzettend...” Prinsen interrumpeert haar: „Nog één keer in alle eerlijkheid en ik stuur je naar huis.” Hennis lacht onbedaarlijk. „Sorry, sorry, sorry.”

Prinsen staat op om buiten „een halve sigaret” te gaan roken. Buiten is het donker. Het dessert moet nog komen.

Hennis kijkt op één van haar twee telefoons die voor haar op tafel liggen. Een paar keer tijdens het eten ontvangt ze een sms op haar werktelefoon, waar een beschermhoes met camouflageprint omheen zit. De politieke druk op Hennis is vrijwel de hele avond tastbaar. De wereld staat in de brand en haar ministerie speelt een belangrijke rol in de grootste internationale dreiging van dit moment; de strijd tegen terreurorganisatie IS. Nederland levert helmen aan de Koerden in Irak voor hun gevechten tegen IS. Is dat niet wat kolderiek, gezien de moordpraktijken van IS en de veel grotere (wapen)bijdrage van andere landen?

Hennis: „Er is gekeken naar de behoeftestelling in de regio.”

Het zijn momenten waarop Hennis spreekt alsof ze door het parlement ter verantwoording is geroepen. Ze praat in ongevaarlijke algemeenheden. „Als deel van de internationale gemeenschap levert ieder zijn deel.” Dan komt Prinsen weer binnen. „Waar gaat het over?” Hennis: „Ze doen wat schamper over de Nederlandse bijdrage aan de Koerden.” Nederland levert niet alleen helmen en vesten maar ook dekens en voedselpakketten, benadrukt ze. Dan met nadruk: „Je moet met de leverantie van wapens heel zeker zijn van je zaak.” Voor je het weet, bewapen je de verkeerde, zegt ze. „Dat maakt mij heel terughoudend, hoe begrijpelijk de wens van de Koerden om nu bewapend te worden ook is.”

Het gemak waarmee ook in Nederland de roep klinkt om bij te dragen aan de bewapening, stoort haar. „De gevolgen daarvan kunnen eindeloos zijn.” Prinsen: „Dat ben ik helemaal met je eens. Het is een soort door De Telegraaf aangejaagd gemak.” Ze wisselen een blik van verstandhouding. Dan begint hij aan zijn dessert; vanille pannacotta, rood fruit, sponge cake en aardbeiensorbet. Hennis niet. Ze komt nog even terug op de Nederlandse bijdrage, voor er mogelijk misverstanden ontstaan. „Het zou kunnen dat we in de toekomst ook ander materieel leveren. We sluiten niks uit.” Het ontgaat Prinsen.

Hennis bestelt een kop thee. Haar chauffeur wacht buiten met de dienstauto. Bij het vertrek bedankt ze Prinsen voor de avond en zijn gedicht. Ze zoenen en groeten elkaar hartelijk. Als Hennis de trap afloopt, zegt Prinsen: „Van deze vrouw gaan we nog veel horen.” Dan loopt hij naar zijn kamer om Match of the day te kijken, het voetbalprogramma op de BBC dat hij ieder weekend kijkt. „Goede nacht, heren.”

De volgende ochtend pakt Prinsen na een witte boterham met spek zijn spullen om te vertrekken. Bij thuiskomst gaat hij zijn column voor het Haarlems Dagblad afronden, vertelt hij. Een onderwerp heeft hij al. „Met dank aan NRC!” Hij vertelt hoe zijn vrouw hem onlangs wees op de kop boven een artikel over de onthoofding van de Amerikaanse journalist James Foley: ‘IS maakt dreigement snel waar’. Prinsen: „Waarmaken heeft een positieve connotatie.” Glimlachend: ‘IS lost dreigement snel in’, had het natuurlijk moeten zijn.”

De terechtwijzing voor de krant is nog niet compleet. Hij citeert uit het hoofd de eerste zin van het bewuste artikel: „NRC-correspondent Joeri Boom leerde de onthoofde journalist kennen in 2012.” Prinsen schudt het hoofd. „Ongelukkig opgeschreven. Ik denk niet dat meneer Boom in 2012 een onthoofde collega de hand heeft geschud. Toch?” Nog één keer klinkt zijn karakteristieke stemgeluid. „Daar zit een fijne column in.”

    • Kees van de Veen
    • Hugo Logtenberg
    • Tom Kreling