Ik juichte in stilte

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week een fragment uit Schrijver, het vijfde boek in de autobiografische serie van Karl Ove Knausgård.

De veertien jaar dat ik in Bergen woonde, van 1998 tot 2002, zijn allang voorbij, er bestaan geen sporen meer van behalve in de vorm van episodes die een aantal mensen zich misschien nog herinnert, hier een flits in een hoofd, daar een flits in een hoofd, en uiteraard alles wat ik zelf nog uit die tijd aan herinneringen heb. Maar dat is verbazingwekkend weinig. Het enige wat is overgebleven van al die duizenden dagen die ik in die kleine, smalstratige, van de regen glimmende stad in het Vestland heb doorgebracht, zijn een paar gebeurtenissen en een heleboel stemmingen. Ik heb een dagboek geschreven, dat heb ik verbrand. Ik heb een paar foto’s gemaakt, daar heb ik er nog twaalf van, ze liggen op een hoopje op de grond naast mijn bureau, samen met alle brieven die ik in die periode heb gekregen. Die heb ik doorgekeken, er hier en daar wat in gelezen, maar daar werd ik telkens weer terneergeslagen van, het was zo’n vreselijke tijd. Ik wist zo weinig, wilde zo veel, kreeg niets voor elkaar. Maar wat was ik blij toen ik erheen zou gaan! Ik was die zomer met Lars naar Florence gelift, we bleven er een paar dagen en namen toen de trein verder naar Brindisi, het was zo warm dat je het gevoel had dat je hoofd in brand stond als je het door het open treinraampje naar buiten stak. Nacht in Brindisi, donkere hemel, witte huizen, een bijna dromerige warmte, grote drommen mensen in de parken, overal jongeren op brommers, geroep en lawaai. We stonden in de rij voor de loopplank van de grote boot naar Piraeus, samen met een lange stoet anderen, bijna allemaal jong en met rugzakken op hun rug, net als wij. Op Rhodos, met 49 graden. Een dag in Athene, de meest chaotische stad waar ik ooit was geweest en waanzinnig warm, daarna met de boot naar Paros en Antiparos, waar we elke dag op het strand lagen en ons elke avond laveloos zopen. Op een nacht ontmoetten we er een paar Noorse meisjes en toen ik naar de wc ging, vertelde Lars hun dat hij schrijver was en die herfst op de schrijversacademie zou beginnen. Daar hadden ze het uitgebreid over toen ik terugkwam. Lars keek me alleen even aan en glimlachte. Waar was hij mee bezig? Dat hij loog over kleinigheden, wist ik, maar waar ik bij was? Ik zei niets, maar ik besloot hem in de toekomst te mijden. We vertrokken samen naar Athene, ik had bijna geen geld meer, Lars had nog een heleboel over en hij besloot de dag daarna het vliegtuig naar huis te nemen. We zaten op een terras, hij at kip, zijn kin glom van het vet, ik dronk een glas water. Het laatste wat ik wilde, was hem om geld vragen, geld van hem aannemen kon ik alleen als hij me vroeg of ik wat wilde lenen. Dat deed hij niet, dus ging ik met een lege maag naar bed. De volgende dag vertrok hij naar het vliegveld terwijl ik de bus de stad uit nam, ik stapte uit bij een snelweg en ging staan liften. Het duurde maar een paar minuten of er stopte een politieauto, ze spraken geen woord Engels, maar ik begreep dat het verboden was om daar te staan liften, dus nam ik de bus terug naar het centrum en kocht van mijn laatste geld een treinkaartje naar Wenen, een brood, een grote cola en een slof sigaretten.

Ik dacht dat de reis een paar uur zou duren en het was een schok toen ik begreep dat er sprake was van bijna twee hele dagen. In de coupé zaten een Zweedse jongen van mijn leeftijd en twee Engelse meisjes die een paar jaar ouder bleken te zijn. We waren al halverwege Joegoslavië toen ze doorkregen dat ik geld noch eten had en ze waren direct bereid met me te delen. Het landschap buiten was zo mooi dat het pijn deed. Dalen en rivieren, boerderijen en dorpen, mensen die zo gekleed gingen dat ik hen met de negentiende eeuw verbond en die zo te zien ook landbouw bedreven zoals ze toen deden, met paarden en hooiwagens, zeisen en ploegen. Een deel van de trein was Russisch, ’s avonds liep ik door de wagons, betoverd door de vreemde letters, de vreemde geuren, het vreemde interieur, de vreemde gezichten. Toen we in Wenen aankwamen wilde Maria, een van de twee meisjes, dat we adressen uitwisselden, ze zag er aantrekkelijk uit en onder normale omstandigheden had ik me kunnen voorstellen haar een keer in Norfolk te bezoeken, misschien zou ik iets met haar krijgen en daar blijven wonen, maar die dag, zwervend door de straten aan de rand van Wenen, had dat geen enkele betekenis, ik was nog steeds vol van de gedachten aan Ingvild, die ik weliswaar maar één keer had ontmoet, die lente met Pasen, maar met wie ik daarna had gecorrespondeerd en bij haar vergeleken verloor verder alles zijn glans. Van een streng uitziende, blonde vrouw ergens in de dertig kreeg ik een lift naar een benzinestation aan de snelweg, daar vroeg ik een paar vrachtwagenchauffeurs of ik mee kon rijden en een van hen knikte, hij liep tegen de vijftig zo te zien, donker en mager met een zwaarmoedig smeulende blik, hij ging alleen eerst iets eten.

Ik stond buiten in de warme schemering te roken en naar alle lichten langs de weg te kijken, die naarmate de avond viel steeds duidelijker werden, ingehuld in het geruis van het verkeer, dat zo nu en dan werd doorbroken door een korte, harde knal van een portier of plotselinge stemmen van mensen die over de parkeerplaats liepen, op weg van of naar het grote benzinestation. Binnen zaten mensen zwijgend in hun eentje te eten, tussen hen enkele gezinnen met kinderen aan hun vol beladen tafeltjes. Ik juichte in stilte, dit was exact waar ik het allermeest van hield, het normale en bekende, een snelweg, een benzinestation, een cafetaria, maar toch niet écht bekend, want overal zag je details waardoor het zich onderscheidde van wat ik gewend was. De chauffeur kwam weer naar buiten, hij knikte naar me en ik liep achter hem aan, klom in het enorme voertuig, legde mijn rugzak achter me en ging zitten. Hij startte, alles bromde en schudde, de koplampen gingen aan, langzaam reden we de weg op, hij versnelde, maar het ging moeizaam, tot we veilig en wel op de rechterrijbaan van de snelweg waren en hij voor het eerst een blik op me wierp. Sweden? vroeg hij. Norwegen, zei ik. O, Norwegen! zei hij.