Het Wad is de baas

Hans Steketee zeilt op het Wad op onbekend terrein. Al voor vertrek droomt hij over vastlopen en droogvallen.

Boven: Zandbanken bij Ameland.Linksonder: een boei op de Duitse Wadden.Rechts: een strandstoel op het Duitse eiland Juist

De getijdetabellen zeggen dat het kan. De vuurtorenwachter van de Brandaris, die ik om raad heb gevraagd, zegt dat het kan. De dieptemeter zegt ook nog steeds dat het kan.

2.2, 2.1, 2.2 meter, knippert hij geruststellend. Onze diepgang is 1,6 meter. Met een halve meter speling tussen kiel en bodem volgen we de boeien over de Oosterom. De Oosterom is een wantij, een ondiepte in de route over het wad van Terschelling naar Ameland.

2.0, 1.9, 2.0.

We zijn vroeg vertrokken om op het wantij te zijn voordat het vloed is. Dan komen we door het stijgende water vanzelf vlot als we zouden vastlopen.

1.9, 1.8, 1.6, zegt de dieptemeter. En dan houdt hij ermee op. -.-, -.-.

Dit is onze eerste echte Waddentocht. Ik ben weliswaar de tel kwijt van de keren dat we van Harlingen naar Terschelling en Vlieland zijn gezeild. Maar als je daar keurig de tonnetjes volgt, hoef je met waterdiepte geen rekening te houden. Over het wad naar Ameland is andere koek.

Ik droom al nachten over vastlopen, met een diepe kiel langzaam scheef vallen terwijl het water zakt. En dan maar hopen dat je bij het volgende ‘hoog’, twaalf uur later, wel los komt.

Ja, je weet dat het zo’n vaart niet loopt. De sommetjes moeten vast kloppen. En als je net bent vastgelopen, is er nog wel een schip in de buurt dat je los kan trekken. Stiekem lijkt het me ook wel iets om een nacht onvrijwillig droog te vallen. Het water te horen vertrekken naar de Noordzee. De zandbanken die langzaam hun grijze rug boven het water uitsteken, het gesis en gepruttel van ontelbare kokkels, zeepieren en krabbetjes dat de echte soundtrack van de Wadden is. De scholeksters en strandlopers zien neerstrijken. Het parfum van wier, modder, schelpen. Maar vooral de wetenschap dat je hier helemaal alleen bent, omdat geen schip en geen mens je de komende uren kan bereiken.

Theaterdecor

Het is makkelijk de Waddenzee als een idylle te zien. Vanaf de eilanden, ’s avonds, als de wind is gaan liggen en de sterren helderder zijn dan op het vasteland. Pinkelende groene en rode lichtjes op de horizon, de tonnen in een verre vaargeul. Of op het water – stroom mee, wind mee, geen golven. De lucht vol identieke wolkjes, in rijtjes achter elkaar, als in een theaterdecor.

Maar laat je niet in slaap wiegen. Want in geen tijd kan het weer omslaan. Bijna bij de haven, in een paar minuten van een avondbriesje naar een halve storm, zodat je als een gek zeil moet reven. Of in een zeegat tussen de eilanden, waar je je nogal hebt verkeken op de stroming die naar buiten raast, en de wind die van de andere kant komt en de golven opzweept. Je boeg begraaft zich erin. Ze vreten je snelheid op, en je laatste restje goede humeur.

Wat doe ik hier ook met een kieljachtje, vraag je je af. En je begrijpt waarom dit de biotoop is van de platbodems. Hun ronde boeg heeft geen stroomlijn, maar wel maling aan die nijdige golfslag. En hun diepgang is nog geen meter. Terwijl wij op de motor voetje voor voetje over de Oosterom kruipen, jakkeren de klippers en tjalken, de charterschepen van de ‘bruine vloot’, buiten de tonnen voorbij, Duitse schoolklassen joelend aan dek.

En dan is de haperende dieptemeter weer bij zinnen. 1.6, 1.7, 2.1. Op naar het volgende wantij.

Strandkorb

Juist is het tweede Duitse waddeneiland, vanuit Nederland gezien. Paard en wagen zijn er het enige vervoer. Geen Zandvoortse chaos hier, men huurt een Strandkorb, een strandstoel, een rieten loge met afdak, die je met de rug naar de wind en de regen kunt draaien. In de muziektent speelt een strijkje. Tussen de klapstoeltjes waarop hun ouders zitten rennen kinderen in matrozenpakjes. Er zijn belachelijk veel straatvegers. Even denk je dat ze dadelijk iets in het microfoontje in hun mouw zullen zeggen, dat je in de Truman Show bent beland.

Juist is ons verste punt. Een hele tijd zie je het niet, zo laag is het. Er staan geen reusachtige windmolens die verraden waar het ligt, zoals op de westelijke buurman Borkum. Niet de flats van preteiland Norderney, de oosterbuur. Je vaart naar Juist omdat de kaart en de boeien en de gps zeggen dat dit de richting is waarin je moet varen. En uiteindelijk duikt het op, maar weer net niet waar je denkt dat het ligt.

Gezichtsbedrog hoort bij de Wadden. Hele eilanden zijn achter de horizon stiekem een eind weggevaren. Je ziet een boei waar je hem te graag wilt zien, maar het is hem niet. Oké, als je ze stuk voor stuk in je gps programmeert, kun je elke route van boei naar boei volgen. Dat is trouwens moeilijk genoeg. Want hoe ga je dan door een lang en smal vaarwater waar de wind recht in blaast, waar je niet onder zeil kunt kruisen en waar de motor te weinig vermogen heeft om de golven de baas te kunnen?

Stel je dan voor hoe het een eeuw geleden was. Geen digitale dieptemeter maar een stuk lood aan een touw. Eén vage zeekaart, geen gps. Lees The Riddle of the Sands, een vroege spionagethriller waarin twee Britse jongens voor de Eerste Wereldoorlog hier een Duits oorlogsplan ontmaskeren. Mist, natte kleren, blikvoer. En vooral: navigeren op de tast. Roeiend in hun bijbootje moesten ze de motorloze Dulcibella over de wantijen slepen.

Gezichtsbedrog

In 1903 ging de zee nog naadloos in de lucht over. Nu is de horizon gekoloniseerd door windmolens, schoorstenen en de gastanks van de Eemshaven. De Waddenzee is een stuk kleiner. Maar ook dat is gezichtsbedrog. De dilemma’s zijn hetzelfde. Voor de ochtendschemering, dus blind, de haven van Juist verlaten zodat we later de Eemsstroom mee hebben? Of wachten tot het licht is en dan zes uur stroom tegen accepteren? Het wad blijft de baas.

Onderweg steekt een zeehond zijn kop uit het water. Altijd even die sensatie dat het een man in een kikvorspak is die je bestudeert. En altijd is er die andere soundtrack van de marifoon, waar de Brandaris ‘waterstandjes’ doorgeeft en nooit zijn geduld verliest met al die amateurs. En dat je bij een net aangemeerde kotter vraagt of ze ook losse garnalen verkopen, en dat de schipper een zak vult, eerst met scherfijs en dan met garnalen, en dat je je de komende dagen geen zorgen hoeft te maken over de lunch.