Handig hoor, die Hollandse 'g’, als je Welsh leert

Sinds 2011 is Welsh een officiële taal in het Verenigd Koninkrijk. Onze correspondent wil weten hoe moeilijk het is de taal te leren.

Da iawn. Goed gedaan, zegt lerares Carws Thomas. Diolch, zeg ik: dank. Voor het eerst komt mijn Hollandse harde g van pas bij het leren van een nieuwe taal. Terwijl Engelsen worstelen met de ch, de vierde letter van het Welshe alfabet, gorgel ik chwiban (fluitje). De ll spreek ik uit als een Limburgse g in llew (leeuw). Het leesplankje met de A van Afal (appel) en de B van Balwn (ballon) is overzichtelijk als je eenmaal weet dat de w en de y klinkers zijn.

Ik probeer wat veel volwassenen in Wales doen: Welsh leren. Want achter de cijfers van de census van 2011, waaruit bleek dat nog slechts 19 procent van de Welsh de taal vloeiend spreekt, zit een andere werkelijkheid.

Welsh – oftewel Cymraeg – werd in dat jaar een officiële taal in het Verenigd Koninkrijk. Sindsdien zijn overheidsinstanties in Wales verplicht al hun mededelingen tweetalig te doen, leerlingen tot zestien jaar krijgen een paar uur of alle lessen in het Welsh, en Welsh-sprekers hebben het recht hun eigen taal te spreken op de werkvloer, in de rechtbank en in het ziekenhuis.

Daar ging een lange strijd aan vooraf. In de jaren vijftig voorspelde men dat, na jaren van onderdrukking, het Welsh rond de eeuwwisseling uitgestorven zou zijn. Al in 1536, toen Wales bij Engeland werd ingelijfd, verbood Henry VIII de taal voor iedereen die een openbare functie had. De gewone man hield het Welsh in stand, tot in 1870 de taal zelfs op school verboden werd. Kinderen die ongehoorzaam waren, kregen een pak slaag met een blok hout met daarop de woorden Welsh Not. De komst van Engelse arbeiders in de Welshe mijnen, de opkomst van de BBC, en in-migrants, zoals de Welsh buitenstaanders noemen, deden de rest.

Een kleine groep Welsh kwam in actie, en voerde met succes campagne, onder meer door Engelstalige borden over te verven. Dus lees je nu op straat zowel dim parcio als no parking, groesfan sebra en zebra crossing. Op het station komt de omroeper eerst met de Welshe namen, zelfs als de steden niet in Wales liggen: Llundain (Londen) bijvoorbeeld, en Manceinion (Manchester). En in het Welshe parlement, waar de leden tussen beide talen wisselen, krijg je als Engelssprekende een koptelefoon met simultaanvertaling.

Hoewel in de plattelandsdorpen van Camarthenshire en Ceredigion, waar tot een paar decennia geleden de meerderheid van de bevolking nog Welsh sprak, de taal letterlijk uitsterft, groeit het aantal sprekers door al die maatregelen in traditioneel Engelssprekende plaatsen als Cardiff. Ambtenaren, artsen, journalisten, vakbondsbestuurders en liefdadigheidsmedewerkers spreken Welsh, evenals inmiddels een kwart van de schoolkinderen.

Min of meer. Want vloeiend spreken die nieuwelingen zelden, noch gebruiken ze de taal thuis. Van juf Thomas leer ik al snel dat brilliant – van vele Welsh het favoriete stopwoord - „lui Welsh” is. Net als de neiging gewoon een ‘o’ achter een Engels woord te plakken. Ik ontdek tijdens de lunch dat lasagne en smoothie gewoon hetzelfde zijn, en dat lemwn een citroen is. Thomas beaamt dat er leenwoorden zijn - tacsi, carr – maar ze waarschuwt voor valkuilen: eog is geen ei maar zalm, en ffrit zijn geen frietjes maar gefrituurd deeg.

En daar houdt de moeilijkheid niet bij op. Woorden hebben dubbele betekenissen: ysgol betekent zowel school als ladder. ‘Nu’ is in Noord-Wales rwan en in Zuid-Wales nawr. Opeens valt me ook op dat Wales zelf soms Cymru is, soms Gymru. Dat blijkt af te hangen van de plek in de zin. Een politieagent heet heddlu, een agente heddwas.

Aan het eind van de crashcursus duizelt het me. Gelukkig heb ik net geleerd: gallai i gael coffi? Precies genoeg om in steenkolenwelsh koffie te bestellen.

    • Titia Ketelaar