Grol wordt echt niet blij van zilver

Henk Grol heeft zaterdag de kans om wereldkampioen te worden. Het zou pas zijn eerste titel worden. En zonder een grote titel is zijn carrière niets waard. „Als ik die niet win, heb ik gefaald. Dan ben ik niet goed genoeg.”

Henk Grol tijdens een training op Papendal. „Natuurlijk heb ik soms ook twijfel. Maar als vechtsporter laat je dat niet zien.” Foto David van Dam

Lopend door het centrum van zijn woonplaats Haarlem, wordt Henk Grol elke dag wel een paar keer herkend. Wildvreemden stappen dan op hem af en roepen de judoka iets toe wat telkens weer aanvoelt als een dolkstoot in het hart. ‘Ooit ga je die titel winnen Henk. Het komt goed.’ Grol: „Het doet me zoveel pijn als ik dat hoor. Het kwetst me in mijn ziel. Elke keer weer geconfronteerd worden met het feit dat ik die grote titel nog niet heb.”

Judoka Henk Grol is een winnaar. Dat vindt hijzelf. Want wie zijn erelijst er op na leest, ziet dat hij voor een echte winnaar nog maar weinig heeft gewonnen. Natuurlijk, Europees kampioen in 2008. Tweevoudig winnaar van de olympisch bronzen medaille in 2008 en 2012. Drie keer zilver op een wereldkampioenschap. Veel judoka’s zouden ervoor tekenen. Henk Grol niet. Grol wil de beste zijn en is ervan overtuigd zichzelf op een dag ook zo te mogen noemen.

Zaterdag krijgt hij in het Russische Tsjeljabinsk een nieuwe kans bij de wereldkampioenschappen judo. Over een eventuele boycot van het toernooi in het land van judoliefhebber Vladimir Poetin wil Grol het niet hebben. „Sport en politiek staan los van elkaar. Het toernooi is nu eenmaal in Rusland en wij moeten dus gewoon daar judoën.” Voor Grol zijn er in Tsjeljabinsk geen excuses. „Eindelijk ben ik helemaal fit. Ik heb minder hard getraind dan vorige jaren, heb voldoende rust genomen in de voorbereiding. Ik voel me beter dan ik me in jaren heb gevoeld.”

Een klein wonder voor Grol. Altijd was er wel iets, sinds hij in 2008 vanuit de relatieve anonimiteit doorbrak bij het grote publiek door zijn bronzen medaille op de Olympische Spelen in Beijing. Gescheurde buikspier, afgescheurde pees in de pols, gebroken jukbeen, gescheurde knieband. Grols lichaam is lesmateriaal voor studenten geneeskunde.

Nooit zal hij zich achter die blessures verschuilen. Het hoort bij de sport. Als je pijn hebt, zijn er volgens Grol twee keuzes: stoppen of doorgaan. Simpel zat. „Het gaat erom of je de pijn kunt accepteren. Als je dat kan, kom je er op een bepaald moment doorheen. Maar dat mensen mij een held noemen als ik met een gescheurde kruisband de WK-finale judo, daar kan ik niks mee. Ik ben geen held, iedereen kan het. Je moet jezelf alleen aanleren met de pijn om te gaan.”

Weinig Nederlandse sporters zijn zo uitgesproken als Henk Grol. Overtuigd van zijn eigen kunnen, schreeuwt hij voorafgaand aan elk toernooi van de daken met niets minder genoegen te nemen dan goud. En als het dan net niet lukt, zoals de laatste zes jaar vaak gebeurde, spaart hij zichzelf niet. „Ongelofelijk stom”, „een tactisch onbenul”, „ik ben weer eens dom geweest”, luidden slechts enkele van zijn reacties na verloren wedstrijden op grote titeltoernooien.

Het heeft Grol veel populariteit en, niet onbelangrijk, een aantal sponsoren opgeleverd, maar ook hoongelach van buitenstaanders die hem adviseren zich bescheidener op te stellen. Hoe vaak kan je roepen de beste te zijn zonder een groot toernooi te hebben gewonnen?

„Het kan me niks schelen wat mensen daar van vinden”, reageert Grol op die kritiek. „Als ik gevraagd word wat ik wil, zeg ik heel duidelijk: die titel. Ik ga na zoveel zilveren medailles toch niet roepen dat ik blij zou zijn met een tweede of derde plaats? Mijn carrière is zonder een wereldtitel of een olympische helemaal niets waard. Als ik die niet win, heb ik gefaald. Dan ben ik niet goed genoeg. Het is alles of niets. Er zit niks tussenin.”

Al op jonge leeftijd voelde Grol de drang om te winnen. Om beter te zijn dan de rest. Vijf jaar was hij toen zijn ouders hem in Veendam op judo deden. Misschien kon de altijd drukke Henk daarin zijn energie kwijt. Niet meer stoeien met vriendjes op straat, maar op de judomat. Zeven jaar later, op zijn twaalfde, wilde hij weg, naar een andere club. Grol: „Ik wist dat ik daar geen kampioen zou worden.”

De drang om ergens de beste in te zijn, zo omschrijft Grol zijn voortdurende obsessie met winnen. „Waar het vandaan komt, geen idee. We zijn thuis altijd verwend door onze ouders en zijn nergens in gepusht. Ik had ook uit kunnen gaan, zoals vrienden op die leeftijd deden. Maar ik was altijd al bezig met later. Ik kom uit Veendam, daar is nog nooit iemand kampioen geworden. Dat wilde ik: kampioen worden.”

De druk die Grol zich oplegt, is hoog. Misschien wel te hoog, erkent hij zelf ook. „In aanloop naar de vorige Olympische Spelen heb ik wel heel veel druk op mezelf gelegd. Dat was op het einde too much. Ik ging te ver tegen mezelf. Toen vond ik het ook niet zo leuk meer. Natuurlijk is die druk niet gezond en niet goed. Maar het gaat nu eenmaal zo. Mensen verwachten ook een titel van je, als je een paar keer een grote finale verliest.”

Grol probeert de laatste jaren op een andere manier met de druk om te gaan. Niet altijd maar malen over die ontbrekende titel, maar ook proberen te genieten van het leven. Afleiding zoeken in hobby’s zoals vissen, wat vaker met vrienden afspreken. Maar desondanks blijft dat hiaat op zijn erelijst aan hem knagen.

„Ook voor de mensen die me altijd gesteund hebben, wil ik die grote titel. Mijn ouders, mijn vriendin, mijn trainer (Maarten Arens, red.) die al sinds mijn zestiende met mij werkt, mijn oude krachttrainer die is verhuisd naar Curaçao en die ik nooit een titel heb kunnen geven. Ik zit op een club waar vijf oud-wereldkampioenen rondlopen. En ik ben drie keer tweede geworden. Als je zo diep in het systeem van willen winnen zit, kan je dat niet accepteren.”

Een mental coach dan, is dat niets voor Grol? Steeds meer sporters maken gebruik van vertrouwenspersonen om te leren omgaan met de druk en af te rekenen met verloren finales. Grol heeft er, ook na drie verloren finales, geen behoefte aan. „Ik ken weinig mensen die beter zijn gaan judoën omdat ze bij zo’n coach op bezoek zijn geweest. Mijn probleem is niet dat ik blokkeer vanwege de spanning. Natuurlijk is er vooraf stress of maak ik me druk om kleine dingen.”

„Maar ik geloof niet dat een mental coach daar iets aan kan doen. Ik ga daar op een andere manier mee om. Met mensen in mijn omgeving die ik vertrouw, praat ik erover. Ieder mens kent het gevoel dat hij of zij wil vluchten op het moment dat er iets belangrijks moet gebeuren. Dat heb ik ook op een wedstrijddag. Maar als het dan uiteindelijk lukt en je een tegenstander op zijn rug gooit, dan is het gevoel onbeschrijflijk. Die kick, daar ben je als sporter naar op zoek. Dat is onze drug.”

Grol heeft vaak gefantaseerd wat er zou gebeuren als het op een dag wel allemaal lukt en hij zich ooit echt de beste van de wereld mag noemen. „Vooral over het grote feest dat ik na afloop voor iedereen zou geven”, zegt hij lachend. „Natuurlijk heb ik soms ook twijfel. Maar als vechtsporter laat je dat niet zien. Dat is een teken van zwakte. Sommige mensen zeggen tegen mij: met jouw carrière kan al niets meer mis. Die is al geslaagd. Dat vind ik onzin. Dan was ik er wel mee gestopt, iets anders gaan doen.”

Wat een titel hem zou opleveren? „Ik denk dat het me rust zal brengen.”

    • Arman Avsaroglu