Het is een ingewikkelde geschiedenis

In het NRC-commentaar van 26 augustus staat: „De Grondwet bepaalt dat de nazaten van koning Willem I het koningschap vervullen, maar dezelfde vorst kreeg niet zijn zin om de hervormde leer tot staatsgodsdienst te verankeren.” Het eerste is juist, het tweede niet. Ook de bewering op de voorpagina, dat „de band tussen het koningshuis en het protestantisme van oudsher sterk is”, vereist toelichting. In 1814 legde Willem I zich neer bij de grondwetsbepaling die vrijheid toekende aan ‘alle godsdienstige gezindheden in het koninkrijk bestaande’. Hij was het niet eens met het artikel dat de vorst verplichtte de ‘christelijke hervormde Godsdienst’ te belijden; het bemoeilijkte zijn plan de katholieke Zuidelijke Nederlanden (België) aan zijn rijk toe te voegen. In 1815 protesteerde de Zuid-Nederlandse katholieke kerk tevergeefs tegen de gelijkheid van godsdienst en tegen de protestantse soeverein. Over de geloofsvrijheid viel niet te onderhandelen, maar tot genoegen van Willem I verdween de bepaling over de godsdienst van de koning. Voor de koning was de kerk een instrument ter organisatie van de samenleving. Afkerig van kerkelijke versplintering ontwierp hij in 1827 een plan voor een verlichte landskerk, een samenvoeging van alle kerken, katholiek en protestants. Alle Europese staten zouden een landskerk moeten inrichten. Ter bevordering van de vrede zouden deze kerken, voorgezeten door de paus, in permanente vergadering bijeen komen. Wenste Willem I de kerkelijke vrijheid te beperken (vanaf 1834 vervolgde hij de afgescheidenen), Willem II tekende in 1848 de Grondwet met de scheiding van kerk en staat. In 1886, onder Willem III, verlieten de gereformeerden van Abraham Kuyper de Nederlandse Hervormde Kerk, waarvan de koning sinds 1816 het bestuurlijk hoofd was. De geschiedenis van God, Vaderland en Oranje is lang en ingewikkeld.

, biograaf van koning

Willem I

    • Jeroen Koch