Gaat dat geld naar de kamerhuur of bier?

Ouders van beginnende studenten staan voor financiële keuzes. Wat kunnen ze bijdragen? En, net zo belangrijk, wat wíllen ze bijdragen? Zes op de tien ouders geven geld.

Fotoillustratie XF&M

Het moet voor veel ouders een schrikbeeld zijn. Een studerend kind dat elke maand gretig gebruik maakt van het geld dat zij overmaken. Geld dat écht nodig is voor de basisbehoeften. Maar dat opgaat in de kroeg en in de kledingwinkel.

Komende week beginnen meer dan 100.000 studenten aan hun eerste studie. Studeren betekent ook: voor het eerst echt zelfstandig omgaan met geld. De vaste lasten – de huurprijs, de internetrekening – maar ook alles eromheen. Uit eten op dinsdag. Stappen op vrijdag. De inrichting van de nieuwe kamer. „Ik schrok ervan hoe duur dat eigenlijk allemaal is”, zegt Soeria van den Wijngaard (18). Zij gaat dit jaar psychologie in Utrecht studeren.

Volgens Anna van der Schors van het Nationale Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud), roept het ook voor ouders vragen op. Hoeveel kunnen zij bijdragen? En, even belangrijk, hoeveel wíllen zij bijdragen?

Hulp voor de ouders

Studenten krijgen nu nog een basisbeurs. Deze vorm van studiefinanciering hoeft niet te worden terugbetaald als de studie wordt afgerond. Wie op kamers gaat, krijgt meer dan iemand die thuis blijft wonen. Er is een aanvullende beurs voor studenten van wie de ouders de studie niet kunnen bekostigen. Er kan geleend worden bij Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) tegen een laag rentetarief en een lange looptijd. En, zegt Theo Jonkman van DUO, de overheid verwacht dat ouders die dat kunnen, ook een bijdrage leveren.

Om te bepalen hoeveel zijn er hulpmiddelen, zegt Jonkman. DUO stuurt, zodra een kind studiefinanciering aanvraagt, een brief naar de ouders. Daarin staat, op basis van het geregistreerde inkomen, „een richtbedrag”, een verwachte bijdrage van de ouders. In een gezin met twee werkende ouders die samen per jaar zo’n 50.000 euro verdienen en van wie het kind op kamers gaat, is dat bijvoorbeeld 258 euro per maand.

Daarnaast, zegt Van der Schors van het Nibud, leveren zes op de tien ouders een bijdrage aan het collegegeld. Dat is per maand zo’n 159 euro.

Zo ook de ouders van Soeria. Zij betalen haar huur, het collegegeld en geven daarnaast nog een maandelijks bedrag. Afgelopen week hebben ze, samen met Soeria, een avond gepraat om de verwachte inkomsten en uitgaven te bespreken. Er moet nog een bedrag bepaald worden, maar ze gokken dat ze Soeria met 200 à 300 euro per maand extra gaan ondersteunen.

‘Kwestie van afspraken maken’

Het Nibud heeft op zijn site de gemiddelde uitgaven van een student berekend. Inclusief kamerhuur en zonder collegegeld is dat iets minder dan 1.000 euro per maand. In de berekening zijn bijvoorbeeld kledinguitgaven (58 euro), uitgaan (130 euro) en de telefoonrekening (32 euro) meegenomen. Afhankelijk van de hoogte van de kamerhuur, en of de student werkt of niet, kan daarmee een schatting worden gemaakt hoeveel ouders zouden kunnen bijleggen.

Het is volgens Van der Schors van het Nibud belangrijk om daaraan vast te houden. Ook als de student even niet uitkomt met het geld, omdat hij of zij iets te veel van het leven heeft genoten. Het is, zegt Van der Schors, verleidelijk om toch steeds wat extra’s te geven. In het weekend een paar broden voor de rest van de week in de tas duwen is geen probleem. Maar als je elke keer ‘ja’ zegt als je kind vraag om een extra bijdrage, leert het niet met geld omgaan. „Dan zijn er geen grenzen aan de financiële mogelijkheden.”

Soeria verwacht rond te komen met de bijdrage van haar ouders. Maar als dat niet lukt, wil ze niet gaan lenen. „Of het moet bij mijn ouders zijn. Dan betaal ik geen rente.”

Vanaf september 2015 wordt studeren zonder studieschuld waarschijnlijk veel minder vanzelfsprekend voor een grotere groep studenten dan nu. De basisbeurs – een overheidsbijdrage – wordt afgeschaft. Soeria’s broertje gaat dan studeren. De nieuwe regeling heeft meteen effect in het gezin. Haar moeder heeft een eigen praktijk en wilde minder werken, maar doet dat nu toch niet. Van der Schors erkent dat ouders misschien meer druk zullen voelen om bij te dragen aan de studie van hun kind. „Maar”, zegt zij, „ze moeten goed kijken naar wat hun mogelijkheden zijn en niet zelf in de problemen raken.” Lenen voor de studie, is haar boodschap, hoeft niet erg te zijn, mits daar goed over is nagedacht. Ondertussen voelt Soeria wel druk door de bijdrage van haar ouders. Ze vindt dat zij veel in haar investeren. Omdat ze zich vol op de studie wil richten, hebben ze afgesproken dat ze er niet naast gaat werken. „Maar stel dat ik de studie niet leuk vindt. Dan zijn mijn ouders dat geld ook kwijt.”

    • Tim Wagemakers