De verweesde democratie

Uit de drie nominaties voor het beste politieke boek van 2014 valt op te maken dat het niet goed gaat met de democratie in Nederland. Zelfvoldaanheid voert de boventoon.

Vreemd. Twee van de drie nominaties voor de Prinsjesboekenprijs zijn historische studies: Jeroen Kochs Koning Willem I en Piet de Rooys Ons stipje op de waereldkaart. Terwijl de prijs bedoeld is voor het ‘beste boek over de Nederlandse landelijke politiek’. Vooral terugkijken helpt dan niet om zo’n prijs op de kaart te zetten. Politiek is meer dan geschiedenis. Toch valt de schade mee. Er loopt een duidelijk lijntje tussen De Rooys Stipje en het derde genomineerde boek, David Van Reybroucks Tegen Verkiezingen. Beide auteurs constateren dat ons politieke bestel in zijn voegen kraakt en verwonderen zich over de bandbreedte van zelfvoldaanheid tot sulligheid waarop burgers en politici het antwoord zoeken.

De Rooy schreef een zeer leesbare geschiedenis van modern Nederland, met oog voor de toevalligheden en onvermijdelijkheden die het karakter van ons land bepaalden. Hij rekent af met zalvende interpretaties van onze poldertradities of onze ‘moreel’ geïnspireerde voorkeur voor recht boven geweld. De bron van onze politieke cultuur vindt hij in de botsingen tussen liberalen, socialisten en religieuzen in de 19de en vroege 20ste eeuw, maar ook in de beperkte omvang van Nederland, dat als ‘stipje’ op de wereldkaart altijd gedwongen is mee te deinen met de buurlanden.

Met de politieke cultuur die daar het gevolg van is, gaat het niet goed, volgens De Rooy. Het ‘declinisme’, de overtuiging dat alles minder wordt, heerst. De economie lijkt duurzaam te haperen, de verzorgingsstaat vangt de gevolgen daarvan steeds minder op en Europa is deel van het probleem, niet van de oplossing. Wat nog aan opvattingen over maakbaarheid leeft, wordt aan de markt overgelaten. Of het de civil society zo slecht gaat als De Rooy denkt, is betwistbaar. ‘In de wijken’ ritselt het van vrijwilligerswerk en burgerinitiatief. Maar dat de politieke partijen ongeveer tegelijk met hun ideologische strijd hun gezag inleverden, staat buiten kijf.

De politiek hapt opgejaagd naar adem

Opgejaagd door het populisme hapt de politiek sindsdien naar adem. Met als gevolg steeds sterker fluctuerende verkiezingsuitslagen, steeds korter zittende regeringen, een Europees bestuur dat willens en wetens op grote afstand blijft. Inspraak van werknemers, cliënten en studenten in ziekenhuizen, scholen, universiteiten en bedrijven raakte al eerder op een zijspoor. Instituties die de democratie met trots uitdragen zijn er niet meer, op zijn best is democratie een steekwoord ter onderscheid van fundamentalisten. Als niet nagedacht wordt over onderhoud en renovatie van die democratie ligt een legitimiteitscrisis op de loer, zeggen zelfs de meest genuanceerde politicologen.

Een mooie suggestie voor renovatie doet Van Reybrouck. In zijn felle pamflet Tegen Verkiezingen breekt hij een lans voor het loten van volksvertegenwoordigers. Want het mediacircus rond verkiezingen is intens, maar direct daarna begint het slopen van de parlementariërs. Één verkeerde opmerking en de opiniemachine of de partijleiding maalt de juist aangetreden idealist tot gehakt. Met als gevolg dat mensen met een helder carrièreperspectief zich twee keer bedenken, zittende politici unisono voorspelbaarheden kwelen en degenen die vermoedden dat de politiek één pot nat is, hun gelijk bevestigd zien.

Gelijke zeggenschap

Van Reybrouck stelt voor te doen wat ze in de Oudheid deden: er vanuit gaan dat alle burgers verstandige beslissingen kunnen nemen. Zo is de democratie ooit begonnen, als manier om gelijke zeggenschap te realiseren. Zoals door loting aangewezen burgers in allerlei landen meedraaien in de rechtspraak, kunnen ze met wat voorbereiding ook goede beslissingen nemen over praktische zaken (waar komt het vliegveld?) en morele vragen (voor wie is abortus?) De willekeur van gelote politici is efficiënter, omdat deze de partijpolitiek met zijn onderonsjes uitschakelt. Ze is ook eerlijker, omdat besluitvorming zo weer toegankelijk wordt voor lager opgeleiden, die ook bij de SP amper aan de bak komen.

Van Reybrouck benoemt terecht dat dit soort voorstellen steevast weggelachen worden. Solidariteit vinden we belangrijk en als keurige onderdanen leveren de burgers geheel vrijwillig de inzet die de overheid vraagt. Maar pleiten voor zeggenschap is, net als pleiten voor pedoseksualiteit, een career limiting move. Voor het overeind houden van de vrijheid lijkt er alleen nog de markt te zijn. Consumptie en niet burgerschap is tot nader order de hoogste vorm van zelfontplooiing. De trots van de republikeinse burgers die in 1798 de eerste Nederlandse grondwet schreven is ver te zoeken. De mooie biografie van Jeroen Koch over Koning Willem I dient onwillekeurig als illustratie van deze verwezing van de hedendaagse democratie.

Kritisch en diepgravend als Koch is over de stadhouderszoon die koning werd, heeft de studie toch weinig te zoeken in een speurtocht naar het beste politieke boek. De uitverkiezing lijkt eerder onderdeel van de Oranjehysterie die rond de troonswisseling losbarstte. Bij gebrek aan andere ideeën dienen de royals steevast als symbool van het een of ander, van de nationale bevrijding zoals bij Willem I of van de sociale cohesie zoals bij Willem Alexander. Dat de huidige koning midden in een economische crisis een speedboot van zeven ton aanschaft, bekijken we daarom net zo opgewekt als ooit Willem I’s autoritaire interpretatie van de grondwet ‘als speeltje in de handen van de menigte’. Wisselgeld voor de hoop op een gerust bestaan.

    • Menno Hurenkamp