Best fijn, zo’n prestatiecontract

Universiteiten hebben het ministerie van Onderwijs beloofd dat ze beter zullen presteren. Als dat lukt, kunnen ze ruim 300 miljoen euro terugverdienen. „De eerste reactie was: moet dat nou?”

Eerstejaars studenten in Utrecht. Maandag begint het academisch jaar. Universiteiten hebben beloofd meer college te geven om zo het studierendement te verhogen. Foto Robin van Lonkhuijsen

Even uitblazen na het halen van je propedeuse? Dat is er niet meer bij op de Leidse Universiteit. Als maandag na de opening van het academisch jaar de colleges beginnen, moeten de tweedejaars vol aan de bak. Leiden heeft namelijk ook voor hen een bindend studieadvies (bsa) ingevoerd, zoals al langer in het propedeusejaar bestaat. Wie aan het eind van het tweede jaar niet 90 van de 120 studiepunten binnen heeft die in de eerste twee jaar te verdienen zijn, moet vertrekken.

Leiden hoopt op deze manier het studierendement te verbeteren en zich te profileren als een universiteit die de lat hoogt legt. „Je kon in onze statistieken zien dat iedereen in zijn tweede jaar achterover ging leunen”, zegt vice-rector Simone Buitendijk. „En wij willen het tempo er een beetje in houden.”

Het Leidse bsa maakt deel uit van een contract dat de universiteit, net als alle andere universiteiten, in 2012 sloot met het ministerie van Onderwijs. De instellingen beloofden zich beter te profileren ten opzichte van elkaar en betere prestaties in het onderwijs te leveren. Om te zorgen dat de universiteiten hun beloftes nakomen, is 7 procent van hun budget afgehaald, een bedrag dat oploopt tot 325 miljoen euro. Dat geld krijgen ze alsnog als ze eind 2015 hun doelstellingen hebben gerealiseerd. Wat is de stand van zaken nu er tot die deadline nog één jaar te gaan is?

De de lijst met prestatieafspraken leert dat de universiteiten in dezelfde richting denken. Ze beloven allemaal een beter studierendement: studenten zullen vlotter door hun opleiding worden geholpen. Daarnaast komen er meer contacturen, worden docenten beter opgeleid en krijgen excellente studenten een uitdagender programma voorgeschoteld.

Martin Paul, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit Maastricht, zegt dat er bij zijn personeel aanvankelijk weinig animo bestond voor de prestatieafspraken. „De eerste reactie was: moet dat nou, betekent dit niet nog meer bureaucratie?” Hij had er echter geen probleem mee het contract te tekenen. „Ik kom uit Duitsland en daar is het al langer de gewoonte dat een deel van de financiering afhankelijk is van hoe je presteert. Deze afspraken hebben ervoor gezorgd dat we intern een scherpe discussie hebben gevoerd over wat we goed doen en waar het beter kan.”

Ook Buitendijk was voorstander van de prestatiecontracten, omdat het zo eenvoudiger was het personeel te overtuigen van het belang van bepaalde veranderingen. „Het maakt in een organisatie wel degelijk wat uit of je met de overheid afspraken maakt waar geld mee is gemoeid, of dat het zaken zijn die je onderling afspreekt.”

Dymph van den Boom, rector van de Universiteit van Amsterdam, zegt dat de afspraken een stimulerend effect hebben gehad. Ze benadrukt wel, net als Paul en Buitendijk, dat haar universiteit niet pas is begonnen met het verbeteren van het onderwijs nadat de prestatiecontracten in 2012 waren ondertekend. „We wilden ons studierendement in de bachelorfase al opschroeven. De afspraken die we hebben gemaakt, lagen in het verlengde van beleid dat reeds werd ontwikkeld. De overheid heeft er niets aan om iets op te dringen waar de universiteit zelf niet achter staat. ”

Prima ontwikkeling dus die prestatiecontracten? Dat vindt niet iedereen. Bas Kortmann, rector van de Radboud Universiteit Nijmegen, zegt: „Ik denk dat de interventie van het ministerie niet nodig was. Het merkwaardige is dat aan de ene kant wordt geëist dat universiteiten zich profileren, maar dat ze aan de andere kant prestatieafspraken moeten maken die allemaal wel heel erg op elkaar lijken. ”

Toch diende ook Nijmegen een handtekening onder een contract te zetten. „Wij hebben onder meer beloofd dat studenten in hun bachelor minstens vijftien contacturen per week hebben”, zegt Kortmann. „Dat doel is inmiddels bereikt.”

Hoe de universiteiten het hebben gedaan, wordt duidelijk als na dit collegejaar een commissie bekijkt of ze zich aan hun afspraken hebben gehouden. Daarbij gaan zich problemen voordoen. De prestatieafspraken zijn gemaakt met het vorige kabinet en de huidige Tweede Kamer heeft een gedeelte van de toezeggingen aan de universiteiten teruggedraaid. Zo mogen de instellingen geen hoger collegegeld vragen voor intensieve programma’s voor excellente studenten. Karl Dittrich, voorzitter van universiteitenvereniging VSNU, zegt dat hij verwacht dat de commissie universiteiten daarom niet „tot op twee cijfers achter de komma gaat afrekenen op wat ze hebben gedaan. Het gaat erom dat het de goede richting uitgaat.”

De onbetrouwbaarheid van de politiek is voor de universiteiten geen reden geweest om ook terug te komen op hun beloftes, zegt Dittrich. „Het zijn ónze afspraken. Wij hebben een handtekening onder die contracten gezet omdat we het onderwijs willen verbeteren en omdat we hogere rendementen willen. Als het door de veranderde omstandigheden niet lukt in 2015, dan maar in 2016.”

Studentenorganisatie ISO zal het werk van de commissie goed volgen, zegt voorzitter Falco Carelsz. „We verzamelen zelf informatie en horen verschillende geluiden.” Hij geeft een voorbeeld: „Het lijkt mooi als studenten meer contacturen krijgen, maar je hebt er weinig aan als die uren bestaan uit colleges waar grote groepen bij elkaar in een zaal worden gezet.”

Ook de focus op het studierendement baart Carelsz zorgen. „Een hoog rendement betekent niet hetzelfde als beter onderwijs. De prestatieafspraken waren bedoeld om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Maar de nadruk op een hoger rendement kan ook leiden tot maatregelen die daar weinig mee te maken hebben. ”

Als de afrekening over de eerste periode heeft plaatsgevonden, luidt de vraag: moeten er opnieuw prestatieafspraken worden gemaakt? Kortmann uit Nijmegen is tegen. „De overheid denkt dat zij beter op kwaliteit kan sturen dan de universiteiten zelf. Ik ben daar niet van overtuigd.”

Buitendijk van de universiteit Leiden vindt juist dat het allemaal nog wel wat scherper kan. „Nu kan iedereen het geld terugverdienen dat hij is kwijtgeraakt. Maar ik vind dat je het zou moeten terugzien in de financiering wanneer je het echt beter doet dan anderen.” Een bonus dus voor de beste universiteiten en boetes voor wie het niet goed doet? „Ja, maar het is de vraag of het ministerie dat aandurft.”

    • Bart Funnekotter