Wanneer is lijden ondraaglijk?

De Levenseindekliniek is er gekomen voor patiënten die tevergeefs bij hun huisarts om euthanasie vragen ook al voldoet hun stervenswens aan de zorgvuldigheidscriteria van de Euthanasiewet. Het is goed dat deze kliniek er twee jaar geleden is gekomen, zoals het ook verstandig is dat haar handelwijze wordt gecontroleerd door regionale toetsingscommissies, net zoals artsen die wel aan de doodswens van hun patiënten tegemoetkomen.

Dat de Levenseindekliniek niet lichtvaardig euthanaseert, zoals ook van haar moet worden geëist, blijkt uit de cijfers uit het eerste jaarverslag. Sinds de kliniek begon, in maart 2012, kreeg zij 1.352 verzoeken. Daarvan werden er 270 gehonoreerd en 376 afgewezen. Andere patiënten trokken hun aanvraag in, stierven tussentijds of staan op een wachtlijst. Bij 160 patiënten voerde de kliniek zelf de euthanasie uit, bij anderen, na bemiddeling, alsnog de eigen arts.

Maar toch is de Levenseindekliniek dit jaar tweemaal op de vingers getikt door een toetsingscommissie. In het eerste geval ging het om een vrouw die dertig jaar last had gehad van depressies waartegen medicatie niet hielp. De arts van de kliniek voerde twee gesprekken met haar in aanwezigheid van de kinderen. De commissie vindt dat hij meer tijd had moeten nemen, ook met de vrouw had moeten spreken zonder dat de kinderen daarbij waren en een (psychiatrische) deskundige had moeten raadplegen.

In de tweede situatie betrof het een vrouw die twintig jaar geleden in een wilsverklaring uitdrukkelijk had laten weten euthanasie te wensen als ze in een verpleeghuis zou moeten worden opgenomen. Ze was geestelijk niet meer in staat om dat nu te herhalen – of tegen te spreken. De commissie vindt dat de arts onvoldoende heeft aangetoond dat de vrouw, nu opgenomen in een verpleeghuis, ondraaglijk leed; hij had meer tijd moeten nemen dan de twee gesprekken die hij met de vrouw – niet meer tot communicatie in staat – trachtte te voeren. Hij had zich „meer tijd en inspanning moeten getroosten”.

Het is nu aan de inspectie en het Openbaar Ministerie om te onderzoeken of er sprake is van strafbaar handelen. Of de artsen „uitzonderlijk behoedzaam” hebben gehandeld, zoals de Hoge Raad in een arrest in 1994 eiste. Het is begrijpelijk dat de Levenseindekliniek in een reactie nu om meer duidelijkheid vraagt. Hoe moeilijk het ook is om vastomlijnde criteria voor ‘ondraaglijk lijden’ – lichamelijk of geestelijk – te benoemen. Moet een wilsverklaring vaker worden herhaald? Als twee gesprekken niet genoeg zijn, hoeveel dan wel? De Levenseindekliniek voorziet in een behoefte; meer duidelijkheid over de grenzen van haar functioneren is des te meer gewenst.