Toen al sloeg de mondialisering toe

De Duitse historicus Jürgen Osterhammel beschrijft indringend hoe tussen 1800 en 1900 de wereld razendsnel op zijn kop werd gezet. Begrippen als ruimte en tijd kregen een volstrekt andere dimensie.

Als je even voorbijgaat aan de traditie, en je dus niet al te veel gelegen laat liggen aan Francesco Petrarca, Jacob Burckhardt en Johan Huizinga, zou je kunnen stellen dat de Middeleeuwen zo ergens rond het jaar 1800 ten einde liepen. Het is een opvatting die verkondigd is door mediëvisten als Jacques le Goff en Peter Raedts, die erop wijzen dat in ieder geval de drie belangrijkste kenmerken van wat de ‘moderne tijd’ wordt genoemd – de industriële samenleving, de massacultuur en de nationale staat – van na die eeuwwisseling dateren.

Dat deze moderne verschijnselen hun wortels hadden in de eeuwen vóór 1800 is uiteraard het intrappen van een open deur, maar dat neemt niet weg dat ze zich pas in de loop van de 19de eeuw als zodanig manifesteerden en dat de wereld er rond 1900 fundamenteel anders uitzag dan op het moment dat Napoleon over Frankrijk en een groot deel van Europa heerste.

Velen van ons zijn geneigd bij de 19de eeuw te denken aan de knusse, naar oliebollen geurende wereld van Anton Pieck en de – door de lange sluitertijden – bijzonder statische foto’s van nog niet door modern verkeer opgeschrikte binnensteden of een nog in een archaïsche dommel verzonken platteland, waar alles zo’n vaart niet liep.

Veel tijdgenoten dachten daar heel anders over. Zo schreef Jan de Koo, de jonge hoofdredacteur van weekblad De Amsterdammer in 1878: ‘Wij leven zoo snel tegenwoordig! De stoom heeft de wereld hervormd: spoed is het wachtwoord geworden. Zelfs in Nederland, het traditionele land van de trekschuit, met de voorvaderlijke spreuk: “langzaam aan dan breekt de lijn niet” – is men haastig geworden en menigeen slaat de schrik om ’t hart bij ’t aanschouwen van de tuimelvaart, waarmeê het jonge Holland zich beweegt.’ Die ‘tuimelvaart’, dat gevoel deel uit te maken van een razendsnel transformatieproces dat de wereld op zijn kop zette en fundamenteel veranderde, wordt indringend en overtuigend beschreven in Jürgen Osterhammels geschiedenis van de 19de eeuw, die vijf jaar geleden in het Duits werd gepubliceerd maar waarvan onlangs een Engelse vertaling verscheen.

Globaal

Het is een ongelooflijk ambitieus boek, niet alleen omdat de Duitse historicus Osterhammel de 19de eeuw erg ruim neemt – bij het ene onderwerp wat ruimer dan bij het andere, maar globaal strekt het verhaal zich uit van ongeveer 1760 tot na de Eerste Wereldoorlog – maar ook omdat hij geen eurocentrische geschiedschrijving wil bedrijven. Op het eerste gezicht lijkt dat merkwaardig, omdat de 19de eeuw bij uitstek de ‘eeuw van Europa’ was. De wetenschappelijke inzichten en hiermee verbonden technologische ontwikkelingen vonden hun oorsprong in Europa en na 1800 begint dit continent bijvoorbeeld Azië in economisch en cultureel opzicht te overvleugelen. Pas in de 19de eeuw worden wat betreft welvaart, levensverwachting, verstedelijking, innovatieve kracht de verschillen tussen Europa (en het geëuropeaniseerde Noord-Amerika) en oude beschavingen als bijvoorbeeld China en India spectaculair groter. Het gaat Osterhammel niet om de veelgestelde vraag ‘waarom’ dit het geval was, maar om de gevolgen ervan.

Het belangrijkste gevolg was dat in de 19de eeuw het proces dat we ‘mondialisering’ noemen echt goed op gang kwam. De onderlinge relaties tussen verschillende delen van de wereld namen sterk toe en de wereld leek veel ‘kleiner’ te worden. Begrippen als ruimte en tijd krijgen na 1800 een andere dimensie. Met de komst van stoomschepen leek de afstand tussen werelddelen veel en veel kleiner geworden, en dankzij de spoorwegen zijn op de diverse continenten enorme afstanden in recordtijd te overbruggen.

Het waren echter niet alleen goederen en personen die veel sneller konden reizen. In 1851 werd de onderzeese telegraafkabel tussen Engeland en het Europese continent in gebruik genomen, en vijftien jaar later werd de eerste trans-Atlantische kabel gelegd, waardoor het overbrengen van berichten geen kwestie van dagen of weken meer was.

Deze toegenomen snelheid was er de oorzaak van dat het idee van tijd veranderde. Rond 1800 was tijd nog een lokaal fenomeen. Op basis van de stand van de zon werden per stad of hooguit regio de klokken gelijkgezet, maar de snelheid waarmee men daarna kon reizen maakte het nodig dat duidelijke afspraken gemaakt werden. Vandaar dat in 1884 in Washington een internationale meridiaanconferentie werd georganiseerd, waarbij de aarde werd ingedeeld in 24 tijdzones van elk 15 lengtegraden en een standaardtijd werd ingevoerd.

Moderne toerisme

De nieuwe transport- en communicatiemiddelen – die na de 19de eeuw nog veel sneller zouden evolueren – maakten niet alleen het sneller verplaatsen van personen, goederen en informatie mogelijk, maar leidden er ook toe dat de verspreiding ervan spectaculair toenam. De internationale handel nam een ongekende vlucht, het moderne toerisme kwam op, en de uitvinding van de rotatiepers maakte de verspreiding van goedkoop massadrukwerk mogelijk. En al deze verschijnselen hadden op zichzelf weer grote gevolgen. Het wereldwijd uitgerolde kapitalisme veranderde het leven van mensen ver buiten Europa, mensen kregen veel meer oog voor de wereld buiten hun directe leefomgeving, en de opkomst van de moderne pers veranderde de politieke verhoudingen ingrijpend.

Hoezeer er sprake was van een ongekende ‘transformatie’ van de wereld besef je als je de vele hoofdstukken of paragrafen leest die Osterhammel wijdt aan verschijnselen die in onze ogen vanzelfsprekend zijn, maar die allemaal uit de 19de eeuw stammen: museum, archief, openbare bibliotheek, concertzaal, statistiek, sociologie, kartering, standaardisatie van maten, fotografie, film, telegrafie, de realistische roman en kranten met grote oplages.

De mate en snelheid waarmee deze fenomenen zich over het aardoppervlak verspreidden verliep allesbehalve synchroon, maar het knappe van Osterhammels boek is dat je wel goed een overzicht krijgt van dit enorme complexe proces, dat bepaald niet alleen voorspoed en geluk bracht. Zo laat Osterhammel duidelijk zien dat de 19de eeuw voor een hoogontwikkeld, vroeger ronduit superieur rijk als China absoluut rampzalig was, terwijl dit tijdvak natuurlijk ook getuige was van de kolonisatie van Afrika, imperialistische oorlogen in Azië en de ondergang van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Ook voor de bevolkingen van deze gebieden was er sprake van een immense transformatie, van een ‘tuimelvaart’ die alles op z’n kop zette.