Tamme konijnen hebben Spaanse voorouders

Konijnen worden pas 1400 jaar door de mens gefokt. Monniken die in de vastentijd vlees wilden eten begonnen ermee.

„Geen dier is zo moeilijk te temmen als een jong wild konijn”, schreef grondlegger van de evolutietheorie Charles Darwin in zijn beroemde boek On the origin of species. Tegelijk merkte hij op dat „haast geen enkel dier tammer is dan het jong van een tam konijn”. Darwin zag hierin de grote kracht van selectie op de evolutie van dieren.

Om in de nabijheid van de mens te kunnen overleven en zich voort te planten heeft het konijn genetische veranderingen ondergaan. Dat was het resultaat van selectie en fokken. In Science laten onderzoekers vandaag zien waarin tamme konijnen verschillen van hun wilde soortgenoten.

Eigenlijk lijkt het DNA van het tamme konijn nog ontzettend veel op dat van het wilde konijn. Er zijn uit het DNA geen genen verdwenen. Kleine letterverschillen (mutaties) die de onderzoekers vonden tussen wilde en tamme konijnen, lagen vooral buiten de genen. Vermoed wordt dat deze verschillen wel invloed hebben op de regulatie van de genen, en dan met name de genen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van het zenuwstelsel.

Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is, in vergelijking met de meeste andere huisdieren, vrij recent gedomesticeerd, waarschijnlijk pas rond het jaar 600 in kloosters in Frankrijk. Tot dan toe hadden mensen wilde konijnen wel in omheinde stukken land gehouden. Om ze op te eten en om hun pels te gebruiken voor kleren. Maar van gericht fokken was geen sprake.

Dat veranderde toen Paus Gregorius (circa 540-604) besloot de vastentijd wat draaglijker te maken door te stellen dat ongeboren konijntjes nog niet geademd hadden. Ze waren daardoor gelijk aan vis en vielen dus niet onder het vleesverbod. Monniken zouden daarop massaal konijnen zijn gaan houden.

Tegen het einde van de zestiende eeuw waren er al beschrijvingen van diverse konijnenrassen van verschillende afmetingen en vachtkleur uit Frankrijk, Italië, Vlaanderen en Engeland, maar de meeste rassen die wij nu kennen ontstonden pas 200 jaar geleden.

Om genetisch te reconstrueren hoe het konijn als tevreden wortelknager in zijn hok belandde, vergeleken de onderzoekers het DNA van zes tamme konijnenrassen (Belgische haas, Hollander, Champagne d’ argent, Franse hangoor, Vlaamse reus en Nieuw Zeelandse witte) met dat van wilde konijnen in Frankrijk en Spanje.

Het konijn heeft zijn oorspronkelijke leefgebied op het Iberisch schiereiland, en verspreidde zich op eigen kracht al vroeg vanuit de Pyreneeën naar Frankrijk. Later is het wilde konijn door de mens verder uitgezet in Europa, en ook overgebracht naar Australië, waar een enorme plaag ontstond omdat er geen natuurlijke vijanden waren.

Het DNA-onderzoek lijkt dit scenario te bevestigen. De grootste genetische diversiteit troffen de onderzoekers bij wilde konijnen in Spanje, gevolgd door de wilde konijnen in Frankrijk en tenslotte de tamme konijnen.

Toch blijft de vraag of de genetische verschillen daadwerkelijk hebben bijgedragen aan de domesticatie van het konijn. Niet bang zijn voor de mens kan immers ook zijn aangeleerd. De voor de hand liggende proef met een pasgeboren wild konijntje dat door een tamme konijnenmoeder wordt grootgebracht hebben de onderzoekers niet gedaan.

    • Sander Voormolen