‘Na Santiago ben ik in alles gematigder geworden’

De Franse schrijver-arts-diplomaat Rufin schreef een bestseller over zijn voettocht naar Santiago de Compostela. ‘Ik heb vooral geleerd dat je je rugzakje licht moet houden.’

Jean-Christophe Rufin, bij zijn uitgever Gallimard, Parijs: ‘Die idealistische jongeren van nu worden gewoon bureaucraten’ Claire Delfino/Paris Match via Getty Images

Een statig pand vol kunst, in één van de meest chique straten van Parijs – het is een vreemde locatie om te praten over een boek dat gaat over bewust gezochte armoede, afzien, pijnlijke voeten en de sport om zo min mogelijk geld uit te geven. In 2011 was de schrijver-arts-diplomaat Jean-Christophe Rufin (1952) een paar maanden pelgrim. Hij liep de camino: 800 kilometer, van Hendaye, een stadje in Frans Baskenland, naar Santiago de Compostela in Noordwest-Spanje. Hij schreef er een reisverslag over, Compostela. Voetreis naar het einde van de wereld, dat een bestseller werd. Twee weken na verschijning waren er al meer dan 250.000 van verkocht.

Compostela is een persoonlijk boek, geestig en niet zonder zelfspot. Let maar eens op wat de reacties zijn als iemand vertelt dat hij naar Santiago gaat lopen, schrijft Rufin. Die zal wel een probleem hebben, zie je ze denken. Hij zal wel ergens mee zitten. Niemand geeft een duidelijk antwoord op de vraag waarom hij of zij aan zo’n tocht begint. Rufin zelf ook niet. Hij geeft er in zijn boek een mooie retorische draai aan: ‘Hoe kun je uitleggen aan wie het niet aan den lijve hebben ondervonden, dat een van de heilzame gevolgen van de camino erin bestaat dat je vergeet waarom je de tocht hebt ondernomen?’ Heel die kluwen van gedachten verdwijnt in het lopen. De pelgrimstocht is ‘tiranniek en totalitair’, hij laat de overwegingen van het waarom in het niets verdwijnen. En dat is nu juist zo heilzaam, suggereert Rufin.

Onsterfelijke

Hij was ambassadeur – in zijn gloriedagen had hij een villa met vijftien man personeel. Dankzij zijn literaire werk drong hij door tot de hoogste tempel van Frankrijk, de Académie Française. Als ‘onsterfelijke’ was hij met trompetgeschal bejubeld, onder de koepel van een van Frankrijks meest prestigieuze instituties. Wat is het dan heerlijk om weer eens ‘niemand’ te zijn! Iemand die gewoon ergens achter een boom moet hurken om zijn behoefte te doen. En wat is het fijn om ‘dat hele kostuum van verantwoordelijkheden, successen en mislukkingen’ eens van je af te laten glijden, toch nog even ‘iemand anders’ te kunnen zijn, ook al is je leven eigenlijk al helemaal gevormd.

Smakelijk schrijft hij over zijn inschrijving voor de tocht in een Parijs’ kantoortje van de Vrienden van Saint-Jacques, over de aankoop van de ‘credencial’, het boekje waarin alle etappestempels worden gezet. Over de flirts onderweg. Hoe hij afziet, pijn lijdt, er als een zwerver uit gaat zien – hij beschrijft het met verve.

Angsten

„De reis heeft mijn leven niet fundamenteel veranderd”, vertelt Rufin. „Maar als ik er één ding van heb geleerd, is het dat je je rugzakje licht moet houden. In de maanden na mijn terugkeer heb ik over mijn leven, mijn angsten nagedacht. Ik heb me zo veel mogelijk ontdaan van alles wat me bedrukte, van objecten, van plannen, van alles wat me beperkte. Ik heb bekeken wat ik allemaal met me meezeul en van alles laten vallen. Alles wat op mijn pad komt, bekijk ik nu met meer afstand. Ik ben in alles gematigder geworden.

„Dat komt overeen met de levensfase waarin ik me bevind: ik meet de tijd die ik nog heb en ik besef dat ik niet alles meer kan doen. Ik maak duidelijkere keuzes dan vroeger. Een tijdje geleden werd me gevraagd of ik burgemeester wilde worden van een grote stad. Ik heb er drie dagen over nagedacht. Drie dagen te veel. Campagne voeren, een mandaat van zes jaar. Nee. Ik hoor niet bij een partij, ik ken dat hele politieke schaakbord maar al te goed. Daar wil ik geen deel van uitmaken. Als ze opnieuw een beroep doen op mensen van buiten, op mensen met relevante expertise, doe ik misschien weer mee.”

Jean-Christophe Rufin (1952) is schrijver en essayist, arts, een van de oprichters van Artsen zonder Grenzen en Action contre la faim en oud-ambassadeur. Als racismedeskundige en onderhandelingsspecialist op het gebied van terrorisme en ontvoeringen doceert hij aan het Institut d’études politiques in Parijs.

Zijn literaire oeuvre omvat historische avonturenromans à la Alexandre Dumas, essays, korte verhalen en een sciencefictionroman over de ontregeling van een globaliserende wereld. Recent publiceerde hij, naast Compostela, een verhalenbundel en een historische roman over Jacques Coeur, schatkistbewaarder van Karel VII.

Het is een bijzonder traject voor iemand die in eerste instantie medicijnen ging studeren.

Maar was die studie nu een goed begin of een valse start? Rufin: „Ik heb lang gedacht dat het een verkeerde keuze was, had het gevoel tegen de stroom in te zwemmen. Nu zie ik dat anders. Geen enkele andere studie zou me zo veel hebben geleerd over de mens. Als arts heb je een nuttig, goed gedefinieerd vak. Maar het is ook een vak dat je opsluit, het opent zich, slokt je op en je komt er niet meer uit.”

In zijn autobiografie Un léopard sur le garrot. Chroniques d’un médecin nomade (2008) – een must voor elke medicijnenstudent –, vertelt hij hoe hij ‘als een hamster in een witte jas’ alsmaar door rende in zijn ziekenhuisrad. Een gevangene van zijn vak was hij, jaloers op zijn patiënten die dan wel ziek waren, maar tenminste geleefd hadden. „Ik dacht in het begin dat de mens overal hetzelfde was en alleen de ziekte anders. Toen ik een aanstelling in Tunesië kreeg, realiseerde ik me dat juist het omgekeerde het geval was. Ik ontdekte daar een wereld met een nieuwe culturele, sociale en politieke dimensie.”

Hij ontmoette de fameuze Bernard Kouchner, raakte betrokken bij Artsen zonder Grenzen, toen nog een clubje idealisten, en zag hoe achter de schermen het machtsspel werd gespeeld. Twintig jaar werkte hij voor diverse internationale hulporganisaties, nog steeds adviseert hij een aantal van hen. Wat er veranderd is? „Toen ik begon waren we klein, niet zo efficiënt, we hadden geen middelen, maar we brachten hulp, heel direct, aan mensen in nood. Nu zijn de ngo’s rijker, veel beter georganiseerd, maar iedereen zit achter een computer, zonder enig direct contact met de mensen zelf. Het is als een multinational. Het werk heeft zijn betekenis verloren. Ze hebben het over minuscule percentages, budgetten. Misschien kan het niet anders, we kunnen niet allemaal moeder Teresa zijn, maar dat werk is totaal betekenisloos, losgezongen van de realiteit. Al die idealistische jongeren van nu worden gewoon bureaucraten.”

Rol van Europa

Hij heeft de macht van de EU groter zien worden. „De EU is een bank die ngo’s financiert, natuurlijk laten die hun oren hangen naar hun financier, ook politiek. Zodra er programma’s worden gefinancierd met publiek geld, heb je ook te maken met een sociaal statuut voor vrijwilligers. Logisch, ik had de verantwoordelijkheid voor driehonderd jongeren, als hen iets gebeurde, was ik verantwoordelijk, daar lag ik wakker van. Nu vertrekken ze uit zulke 'gevaarlijke gebieden. Ze gaan weg uit de crisiszones en in plaats daarvan naar de voor de EU interessante gebieden. Hulp gaat niet meer daarheen waar het nodig is, maar waar onze eigen prioriteiten liggen.”

Rufin maakt zich zorgen over de kortingen op de ontwikkelingshulpbudgetten. Niet zozeer over de urgente hulpacties, die zijn kort en niet zo duur. Maar de ontwikkelingsprogramma’s voor de langere termijn lijden onder de crisis. „Het grootste probleem is dat de rol van Europa en de VS, die in een crisis zitten, niet wordt overgenomen door opkomende landen als Brazilië, India en China. Waarom zouden ze Afrika steunen? Ga in Peking de kleine straatjes in en je komt in een derdewereldtafereel. Ze doen aan ‘trade’, niet aan ‘aid’. De rijke Arabische landen vervangen ons ook niet. Die bouwen liever moskeeën of financieren rebellen.”

Als er een rode lijn is in Rufins werk en schrijverschap dan is dat het dilemma tussen de wil enerzijds ergens bij te horen, geëngageerd te zijn, en anderzijds het verlangen autonoom en vrij te zijn. „Ik heb me nooit laten opsluiten in een bureaucratie, dat is de grootste valkuil. De hoofdpersoon van mijn laatste roman, Jacques Coeur, begrijpt pas wat vrijheid is als hij alles is kwijtgeraakt.”

Gevraagd of zijn voettocht zijn schrijverschap heeft beïnvloed, zegt hij: „Ik heb de indruk dat er iets is veranderd. Le collier rouge, mijn korte roman die net uit is, vind ik zelf erg goed. Het komt nooit voor dat ik tevreden ben over een boek dat ik heb geschreven. Dit kwam voort uit een anekdote van niets, het gaat over een hond die blaft voor de cel waarin zijn baas zit opgesloten. Ik heb het in tien dagen geschreven, op een manier die ik niet kende: zonder research, zonder een van tevoren bepaalde structuur.” In dat schrijverschap lijkt Rufin de oplossing te hebben gevonden voor zijn innerlijke verscheurdheid om enerzijds helemaal in iets te willen duiken en er aan de andere kant ook buiten te willen blijven.

Rufin: „Schrijven brengt me de synthese. Schrijven is volledige vrijheid. Het voordeel van boeken schrijven is dat je ze naderhand ook zelf kunt lezen. Dan begrijp je meer van wat er met je gebeurd is. Bovendien leef ik van de pen. Georges Bernanos zei altijd dat hij in zijn jeugd een vak had moeten leren, maar dat hij uiteindelijk van zijn dromen had kunnen leven. Dat geldt voor mij ook.”

    • Margot Dijkgraaf