Na aardverschuivingen volgen verkenningen

In zestig vijfregelige verzen, verzameld in haar nieuwe bundel, gaat de van oorsprong Friese dichteres tastend en onderzoekend te werk op een verborgen onderstroom tijdens een binnenwaartse trektocht.

Albertina Soepboer: ‘permanente tastzin’ Foto Sake Elzinga

Wie de waddendijk bij Holwerd beklimt, ziet zich naar alle zijden beloond. Het Nederlandse deel van de Waddenzee is hier het smalst. Ameland lijkt binnen wandelbereik, maar er zijn ook lonkende verten. Wie zich daarboven op de dijk vervolgens honderdtachtig graden wendt, ziet de adembenemend groene vlakte van het Noord-Friese landschap.

Hier is de dichter Albertina Soepboer geboren. Bij lezing van haar nieuwste bundel lijkt het zinvol dit landschap voor ogen te houden. De flaptekst van bezonken vergelijkt de gedichten in die bundel met oude foto’s. Die metafoor gaat echter grotelijks voorbij aan de evocatieve kracht van poëzie. Foto’s worden geacht iets vast te leggen, maar vangen doorgaans een te vroeg gestold moment. Gedichten bieden daarentegen de mogelijkheid om tijd en ruimte blijvend open te laten – dus ook de interpretatie van momenten.

Ik heb het nu over pure lyriek. Die lijkt in ons taalgebied inmiddels zeldzaam aanwezig, maar er zijn uitzonderingen, zoals het werk van Albertina Soepboer. Haar poëzie, schreef ik al over haar bundel de trektocht (2010), laat zich beter inademen dan lezen. Taal staat hier los van de boodschap, beelden zijn belangrijker dan een mededeling. Toch is er altijd weer een zeer bewuste compositie. In bezonken is de opbouw, mede door de strakke vormgeving van Melle Hammer, glashelder. Er zijn drie afdelingen: ‘kwelwater’, ‘windstilte’ en ‘grondstof’. Elk van die afdelingen telt zestien verzen, en elk wordt voorafgegaan door een kwartet gedichten, dat steevast ‘dieplood’ heet.

Een dieplood is een toestel om de diepte van water te peilen, maar ook om de gesteldheid van de bodem te onderzoeken. Op de rand van zee en grasland zijn beide functies nuttig, maar zo werktuiglijk zijn ze onder de pen van Soepboer niet bedoeld.

Peilen is in bezonken vooral verkennen. De taal in elk van de zestig vijfregelige verzen in deze bundel is dan ook tastend, onderzoekend. Persoonlijke indrukken spelen een belangrijke rol, maar ook religieuze en mythische elementen, zoals de engel die van zijn ladder afdaalt, de priester, het nachtpaard, kwelgeesten en de zandman. En er is het collectief geheugen, dat van oma op kleinkind wordt overgedragen:

zo in het licht van de zon gewassen

staat de oma met haar kleinste kind

waarschuwende woorden over rogge

sissen van oude heksen in de velden

ze eten kinderen, ze weven noodlot

Dit gedicht heet ‘deur’. Die titel lijkt zowel een verwijzing naar de plaats van de herinnering als toegangspoort tot een verborgen onderstroom. Steeds meer bepaalt een onderliggende kracht de beelden in bezonken. Ook in de afdeling ‘windstilte’ uit die kracht zich in onrust, zoals in het gedicht ‘slaap’:

wakker zijn, boven de stad klokken

een regenbui en een kom met melk

niet de fluistering van wind hoor je

maar het langdurig zuchten van wat

onderhuids vuur vasthield, oppookte

Het noterende karakter van deze regels is kenmerkend voor de hele bundel. Albertina Soepboer ontloopt meer dan tachtig bladzijden lang conclusies. Dat houdt de interpretatie voor sommige lezers misschien wel te open, maar de evocatieve kracht van bezonken is onmiskenbaar.

Het woord ‘stad’ in de eerste regel van ‘slaap’ onthult het al: stilaan verlaat de dichter haar geboortelandschap. De laatste afdeling van de bundel, ‘grondstof’, opent met een vers over bergen en een dal, en daarna is er sprake van ‘een lang verstopte rivier’ en een ‘rots’. Ook in zone en de trektocht schiep de dichter al zulke aardverschuivingen. De titels van die bundels waren ook volstrekt omineus. Maar dat geldt in feite ook voor de titel bezonken. Albertina Soepboer maakt hier een inwaartse reis. Aan het eind van die tocht lijkt ze weer thuis te komen, in het gedicht ‘ronding’:

we draaien ons om met dezelfde

schoenen die verderop schuifelen

de smaak van zout houd ik achter

de hand, een wending in de wind

een weten dat met de grond groeit

Is de slotregel een conclusie van haar binnenwaartse trektocht? Misschien, maar vooral toch ook een verwijzing naar de noodzaak van verdere verkenning. Met een tegendraadse, want strikt rationele redengeving. ‘Weten’ veronderstelt immers begrip, dus fixatie, en zulks staat haaks op de permanente tastzin die het werk van Albertina Soepboer in beweging houdt. Door het noterende karakter zingen de verzen in bezonken wellicht minder welluidend dan in haar vorige bundels. Niettemin biedt ze ook hier pure lyriek.