Losse zeden, slaven, luxe en een bloedhitte

Drie hertalingen over Suriname in de 18de eeuw geven een veelzijdig tijdsbeeld. Behalve het dagboek van een rouwdouwer, draagt vooral de historie van de Middelburgse Commercie Compagnie daar toe bij.

Gravure van Francesco Bartolozzi (1727-1815) over de opstand van Surinaamse slaven naar een tekening van John Gabriel Stedman (1744-1797)

In de euforie van de zogeheten Windhandel, die tussen 1720 en 1721 door Frankrijk, Engeland en Nederland raasde, werden honderden met aandelen gefinancierde handelsondernemingen opgericht. Ze gingen vrijwel allemaal in korte tijd failliet. Deze compagnieën steunden op de valse hoop die de oprichters de wereld in wisten te blazen: potentiële investeerders kregen reusachtige projecten met torenhoge winsten voorgespiegeld. De aandelenkoersen bereikten spectaculaire hoogten om razendsnel te vervallen tot deprimerende diepten. Enkele speculanten werden snel rijk, maar de meesten gingen bankroet. Van de tientallen ondernemingen die alleen al in Nederland werden opgericht, bleek een handjevol levensvatbaar. Een daarvan was de Middelburgse Commercie Compagnie waarover nu de eerste monografie is verschenen.

Deze Zeeuwse onderneming, doorgaans afgekort als MCC, werd in 1720 door Middelburgse burgers opgericht ter bevordering van de stedelijke handel en scheepvaart. Geld was er voldoende dankzij de in de afgelopen oorlogen bij de kaapvaart verworven kapitalen. Het bedrijf richtte zich aanvankelijk op de vaart binnen Europa, en vanaf ongeveer 1740 op de slavenhandel tussen Afrika en de Wilde Kust, dat wil zeggen Suriname en de meer westelijk gelegen Nederlandse koloniën. Na de Franse Tijd bleef de MCC bestaan; zij richtte zich toen niet meer op de handel maar op de reparatie en nieuwbouw van schepen. Het bedrijf hield het vol tot 1887.

Men zou de geschiedenis van de MCC kunnen afdoen als een interessant stuk lokale economische geschiedenis. Het bijzondere echter is dat vrijwel het hele bedrijfsarchief met de gegevens over handelsactiviteiten, bedrijfsvoering, schepen en hun bemanningsleden bewaard is gebleven. Maritiem historicus Ruud Paesie heeft nu in zakelijke stijl een overzichtswerk geschreven over de hele periode van haar bestaan met aandacht voor alle bedrijfsmatige aspecten, en met goed gekozen illustraties en heldere kaarten.

Dividend

Het wonderlijke van de MCC is dat het bedrijf nooit erg winstgevend is geweest. Incidenteel werd dividend uitgekeerd. Paesie geeft als mogelijke verklaring dat de directie en de aandeelhouders allen verweven waren met de lokale handel en nijverheid. Ook al leverde de aandelen van de MCC niet zoveel op, scheepsbouw en leveringen van scheepsbenodigdheden, en de verkoop van mee teruggevoerde koloniale waren (vooral suiker en koffie) vormden een deel van de motor van de Middelburgse economie. Zonder de MCC zou het niveau daarvan lelijk dalen. Wel bleef in de 18de eeuw de VOC wat dat betreft veel belangrijker.

De meeste aandacht voor de MCC is tot nu toe naar de slavenhandel gegaan. Tijdens 113 reizen transporteerden MCC-schepen ruim 30.000 Afrikanen naar de West. Vanaf ongeveer 1770 daalden de prijzen van slaven in Suriname. Dit was juist de periode dat de plantages werden geconfronteerd met steeds meer weggelopen slaven. Deze marrons verschansten zich in de bossen en voerden raids uit op plantages om voedsel, wapens, gereedschappen en vrouwen te bemachtigen. In de jaren zestig en opnieuw in de jaren zeventig riep het bestuur van de kolonie de hulp in van legertjes die deze marrons moesten opsporen, terugbrengen of doden.

In 1772 was het weer zover. Er arriveerden twee schepen met 500 man aan boord. Een van de officieren was de toen 26-jarige John Gabriel Stedman, een militair van Schots-Nederlandse komaf. Stedman was een avontuurlijke man vol branie die zich spiegelde aan Tom Jones en andere losgeslagen helden uit de romanliteratuur.

Stedman was een scherp waarnemer en een tamelijk goede tekenaar; ook had hij literaire aspiraties. Viereneenhalf jaar duurde zijn verblijf in Suriname, een periode van uitputtende strafexpedities in het binnenland, afgewisseld met visites aan de elite van Paramaribo waar hij een wel geziene gast was. Hij raakte er verwikkeld in een liefdesaffaire met een slavin bij wie hij een zoontje verwekte. Toen hij terugkeerde bleef zij achter; ze overleed later en het zoontje werd naar zijn vader gezonden die zich inmiddels met een nieuw gezin in Engeland had gevestigd.

Daar begon Stedman, inmiddels getransformeerd van rouwdouwer tot huisvader en herenboer, aan een boek dat hem grote vermaardheid zou bezorgen: Narrative of a Five Years Expedition against the Revolted Negroes of Surinam. Dit boek, voor het eerst verschenen in 1796, werd een bestseller. Het was een combinatie van uiteenlopende genres. Stedman beschrijft zijn eigen belevenissen – de gruwelijke tochten naar het binnenland, het leven op de plantages, de onmenselijke behandeling van de slaven, zijn affaire met de slavin en zijn ontmoetingen met de elite van Paramaribo – maar hij geeft ook encyclopedische informatie over geschiedenis, bestuur en bevolking van Suriname. Daar doorheen vlecht hij nog allerlei bijzonderheden over de flora en de fauna. Het boek beleefde veel herdrukken en werd vertaald.

Door de aangrijpende beschrijvingen van de behandeling van de slaven werd dit boek een instrument in de handen van de abolitionisten. Niet alleen door de tekst, maar eerder nog door de illustraties die teruggaan op Stedmans eigen tekeningen. Geen boek over Suriname of over slavernij, of we komen een van de gruwelijke prenten tegen uit Stedmans boek.

Humanisering

Toch is dit niet het hele verhaal. Stedman is wel verheerlijkt als een voorvechter van de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij, maar in werkelijkheid, zo blijkt uit het oorspronkelijk manuscript van zijn boek, was hij daar niet tegen. Hij tastte het principe van de slavernij niet aan, maar pleitte voor humanisering ervan.

Zijn uitgever, een fervent abolitionist, heeft zijn tekst danig aangepast. Toen Stedman de eerste exemplaren ontving ontstak hij dan ook in woede en eiste hij vernietiging van de hele oplage. Dat is inderdaad gebeurd, maar een nieuwe editie verdoezelt toch zijn pro-slavernijstandpunt. Die maakte hij niet meer mee; hij stierf in 1796. De Londense uitgever kon met dit boek de slavernij aanklagen zonder schuld bij de Engelsen te leggen.

Van Stedmans tekst is nu een hertaling gemaakt in soepel, hedendaags Nederlands. Het kan dienen als een eerste kennismaking met Stedman, maar meer ook niet. De bezorger heeft namelijk een niet nader verantwoorde selectie gemaakt en daarbij uit drie bronnen geput. Hij ging uit van de eerste Nederlandse vertaling en raadpleegde verder de eerste Engelse editie en een uitgave van het oorspronkelijk manuscript. Zo weet je niet precies wat je nou eigenlijk leest. Daar komen ook nog oorspronkelijke dagboekfragmenten bij, die directer bij Stedmans belevenissen aansluiten, maar die blijven onvermeld. Literatuurverwijzingen en een notenapparaat ontbreken ook, zodat het boek toch wat los van de context blijft staan.

Dat is anders gesteld met de uitgave van het verslag naar de West van de Amsterdamse koopmanszoon Pieter Groen. Twintig jaar na Stedman vertrok hij naar Berbice, de kolonie ten westen van Suriname. Zijn motieven zijn onduidelijk, het lijkt een beetje op een proefreis, bedoeld om te onderzoeken of hij hier ooit carrière zou kunnen maken. Ook hij hield een dagboek bij. En ook dat is hertaald uitgegeven. Groens belevenissen zijn bewaard gebleven in zeven schriftjes in het Nationaal Archief. Anders dan Stedman heeft Groen nooit het plan opgevat om ze te publiceren; een vergelijking gaat dan ook niet helemaal op. Toch vallen enkele overeenkomsten op, zoals het ongezonde klimaat, de losse zeden en de ongekende luxe van de Europeanen. Maar waar Stedman het slavenbestaan gedetailleerd beschrijft – en zijn verontwaardiging uit over de uitwassen, maakt Groen er nauwelijks woorden aan vuil. Enig blijk van morele verontwaardiging ontbreekt. Het is wel zeker dat Pieter Groen representatiever is voor bezoekers van de Wilde Kust dan de opmerkzame John Gabriel Stedman.