Kunst biedt redding

In vier romandebuten van afgelopen jaar wordt de rol van kunst onderzocht om te kijken waar de schrijvers in de wereld staan. Is het academisch proza uit de jaren zeventig teruggekeerd?

Illustraties Jacqueline Elich, foto´s Hollandse Hoogte en Merlijn Doomernik

‘De roman is de kanariepiet in de mijn’, schreef Nelleke Noordervliet vorige week in De Groene Amsterdammer, en die gaat als eerste dood wanneer een beschaving op zijn einde loopt. Nu is de roman wel vaker dood verklaard, maar met de mijnrampen in China en Chili nog vers in het geheugen en de claims in Limburg aan het Rijk voor schade door mijnbouw is het wel een maatschappelijk ter zake formulering.

In haar essay legt Noordervliet uit dat nu de grote lezers zijn verdwenen, ook de grote schrijver dreigt te verdwijnen. Terwijl het vroeger nog vanzelfsprekend was om literatuur te verdedigen, heeft dat geen zin meer, stelt ze: ‘Literatuur als vanzelfsprekend vehikel voor het begrijpen van de wereld heeft haar positie prijs moeten geven en haar aanhangers dwalen rond als onheilsprofeten in wie niemand gelooft, plechtstatige zonderlingen die buiten de werkelijkheid staan.’

Dat ze buiten de werkelijkheid staan, is een verwijt dat schrijvers vaker krijgen. Het is de oeroude vorm-of-ventdiscussie, die dit voorjaar luister werd bijgezet door Abdelkader Benali toen hij op zijn Facebookpagina opperde een bom te gooien op de nieuwe schrijversgeneratie. Ze schrijven allemaal hetzelfde boek: ‘Iedereen is hoogopgeleid, iedereen heeft ouders met “gekke” trauma’s, iedereen is een drop-out van het Montessori Lyceum, iedereen is neurotisch op het debiele af, iedereen is de hele dag aan het filosoferen over de ideale bereiding van een cappuccino, iedereen woont in Amsterdam, iedereen is ongelukkig, iedereen heeft geld, iedereen droomt van armoede, iedereen twijfelt aan zichzelf, iedereen heeft seks, iedereen zoekt liefde, iedereen heeft briljante a-logische redeneringen, iedereen is licht duizelig door alle verwendheid die men heeft ervaren, niemand slaapt thuis, maar ergens anders op locaties die een normaal mens nooit zou kunnen betalen. Iedereen is wezenloos middelmatig en niemand heeft een leven.’

Positief onthaald

Volgens Noordervliet is het een teken des tijds dat dergelijke uitspraken op Facebook gedaan worden en niet uitgewerkt worden in een serieus essay, maar Benali heeft wel een punt: er verschijnen inderdaad veel romans die vanuit eenzelfde gedachtegoed geschreven zijn. Een bom gooien gaat wat ver, net als het terugbrengen van de roman tot de status van kanariepietje. Maar het loont wel de moeite om te kijken wat er gaande is aan de hand van vier jonge schrijvers wier romandebuten vorig seizoen positief zijn onthaald: Merijn de Boer (1982), Anne Eekhout (1981), Nina Polak (1986) en Niña Weijers (1987). Opvallend aan deze vier schrijvers is dat ze de rol van kunst onderzoeken om te kijken waar ze in de wereld staan.

‘Mensen emmeren voortdurend over gevaarlijke kunst, maar wat is gevaarlijke kunst?’ vraagt een personage in de roman De consequenties van Niña Weijers (besproken in Boeken, 30.05.14). De hoofdpersoon, de performancekunstenaar Minnie Panis, zoekt die gevaarlijke kunst in De consequenties in het verdwijnen. Op een gegeven moment doet ze dat zelfs letterlijk wanneer ze bewust door het ijs zakt. Het is onderdeel van haar ultieme kunstwerk: ze laat een fotograaf haar drie weken volgen zonder dat deze mag ingrijpen. In eerdere projecten heeft ze elke dag haar afval gefotografeerd (‘Zelfportret in negatief’, noemt een criticus dat). In een nog extremer project doet ze dat door al haar persoonlijke bezittingen te verkopen. ‘Nothing personal’ heet het resultaat dat ontstaat wanneer alle persoonlijke eigendommen zijn verkocht. Het idee is dat een kunstenaar zichtbaar wordt door zich onzichtbaar te maken.

Datzelfde thema wordt bij de kop gepakt door Anne Eekhout in haar roman Dogma. Deze wordt bevolkt door vijf vrienden die op zoek zijn naar erkenning als dichter, filmer of cabaretier. Echt doorbreken doet geen van hen, maar ze denken het tij te keren door samen te werken aan een film waarin een mislukte dichter zelfmoord pleegt. De hele voorbereiding, het dilemma waarin ze terechtkomen en de veranderende onderlinge verhoudingen worden allemaal gefilmd – en dus ook beschreven. Zelfmoord voor de camera: de ultieme poging om gezien te worden.

In beide boeken gaat het vooral om het onderzoek, de kunst moet daarbij meer zicht geven op levenskwesties als welke rol je vervult binnen je omgeving, hoe ver je kan gaan. Het is reflecterend proza dat vooral veel vragen stelt.

Vragen stellen is ook de leidraad in het debuut van Nina Polak, We zullen niet te pletter slaan (Boeken, 09.05.14). Hierin draait het om de vraag hoe het is om door twee vrouwen opgevoed te worden en wat de rol van de niet-biologische moeder is. Heeft zij evenveel recht op liefde van de kinderen als de biologische moeder? En als de ouders uit elkaar gaan: welke rechten heeft de niet-biologische moeder dan?

Ook hier vindt die zoektocht deels plaats via de kunst: de dochter van het lesbische stel is illustrator van kinderboeken. Ze is bevriend met een kunstenaar die zich in travestie hult en een tentoonstelling inricht in een verbouwd huis waar filmbeelden en geluidsopnamen de intimiteit van de kunstenaar weergeven. ‘U bent getuige geweest van mijn intiemste installatie tot nu toe. Meer dan een tentoongesteld werk is het een tentoongesteld leven. Mijn leven’, spreekt de kunstenaar zijn publiek toe. Hier schreeuwt iemand om erkenning, maar antwoorden over welke rol de liefde kan hebben, hoe intiem je kan zijn en of de kunst juist meer of minder intimiteit naar boven haalt, blijven uit.

Konijnen

Dat geldt ook voor Merijn de Boer in zijn romandebuut De nacht. In verschillende interviews legde hij uit dat zijn proza vooral een zoektocht is. In zijn roman beeldt hij die uit door zijn hoofdpersoon konijnen te laten tekenen op stadsplattegronden zodat hij zijn weg kan terugvinden. Totaal verward – en vaak in beschonken staat – bieden romans en filmklassiekers hem nog het meeste houvast.

Deze vier debutanten gebruiken de kunst als een manier om hun wereld te begrijpen. En daarmee lijken ze terug te grijpen op de traditie van het tijdschrift De Revisor toen dat in 1974 begon. De redactie was indertijd bescheiden over haar ambities en wist vooral wat ze niet wilde zijn: ‘Mag men eindelijk een literair blad begroeten dat weer wat nieuws brengt, een nieuwe formule, een nieuwe mentaliteit, stroming of beweging in overeenstemming met de geest van deze snel veranderende tijd? Kan er gesproken worden van een reveil, wordt hier een nog onbekende generatie met exclusieve ideeën gepresenteerd? Nee, wie naar dat alles hunkert komt bedrogen uit.’

Het is een geluid dat bekend voorkomt: geen grote gebaren, nauwelijks een schril piepje van een kanarie in een mijn. Maar het bleek al snel valse bescheidenheid, want de schrijvers rondom De Revisor behoorden tot de meest ambitieuze van de jaren zeventig. En dat kregen ze te horen ook. Toenmalig criticus Aad Nuis schold ze uit voor ‘academisten’, omdat ze verhalen in elkaar zouden zetten zoals men op de universiteit verhalen ontrafelde. De discussie over vorm of vent werd weer opgerakeld: engagement of terugtrekken, romantiek of realisme: het zijn allemaal verschillende verschijningsvormen van dezelfde kwestie: trekken we ons iets aan van de wereld of doen we waar we zin in hebben?

Verstoppen

Enigszins wereldvreemd werden de ‘academisten’ van de jaren zeventig wel genoemd, omdat ze zoveel nadruk op de vorm legden, en het verhaal van hun romans vaak probeerden te verstoppen. Niets mocht vanzelf spreken: ‘Misschien kun je het zo zeggen: wij stellen, als we een verhaal vertellen, de vorm van dat verhaal, de vorm van die mededeling, tegelijkertijd ter discussie, zodat de lezer weet wat hij leest en dus kritisch kan blijven,’ zei Frans Kellendonk als reactie op Maarten ’t Hart, die het plotgerichte verhaal miste. Ter discussie stellen, het lijkt verdacht veel op onderzoek doen in je romans. Het is vast geen toeval dat juist Nina Polak in een interview Kellendonk als een van haar lievelingsauteurs noemde, het is een literatuuropvatting waarmee goed geïnformeerde jongeren zijn opgegroeid.

Merijn de Boer kent als redacteur bij uitgeverij Van Oorschot alle trucs van het vak en Niña Weijers vertelt aan de site Cultuurbewust.nl: ,,Ik heb echt los moeten komen van dat hele academische denken over literatuur om überhaupt zelf tot literatuur te komen. De vroegere verhalen die ik schreef waren nog heel academisch, theoretisch en conceptueel en dat zie ik nu pas.”

In feite gaat het hier dus niet meer om schrijvers die hun vorm zoeken in universitair vormgegeven proza, maar om romans die de kunstwereld als gereedschap gebruiken. Geen academisten meer, maar esthetici. In een schijnwereld, die niet zelden beneveld is door overmatig drankgebruik, plaatsen ze hun personages om te onderzoeken wat er gebeurt wanneer hun kunstwereld werkelijkheid wordt.

De Revisor zette zich niet expliciet af tegen haar realistische voorgangers, de nieuwe esthetici doen dat expliciet evenmin. Ze noemen ook niet de namen van schrijvers die het anders doen. Maar die zijn wel te bedenken: Arnon Grunberg, Tom Lanoye en in mindere mate Tommy Wieringa staan middenin de wereld. Ze zoeken niet zozeer de grenzen op van de kunst, maar gaan de confrontatie met de werkelijkheid aan. Deze oudere generatie doet dat niet door andere auteurs, filmmakers en beeldend kunstenaars als hoofdpersonage uit te roepen, maar door personages in juist een geheel andere werkelijkheid dan de romanwerkelijkheid te zetten.

Grunberg gaat in zijn romans de confrontaties aan met macht en gekte, plaatst in zijn roman De man zonder ziekte zijn hoofdpersoon (een architect, waarbij het dus anders dan in de vier debuten om toegepaste kunst gaat) in de wereld van terrorisme. Het is niet de vraag hoe lang je meegaat in een artificiële wereld, maar hoe lang je meegaat in iemands onschuld. Ook Lanoye gaat de confrontatie aan en haalt in Gelukkige slaven de financiële crisis tot en met neushoornjacht onderuit. Terwijl Tommy Wieringa op zijn beurt Dit zijn de namen begint met een gesprek over het toelaten van de buitenstaander in de eigen leefwereld, en ook de confrontatie tussen de emigranten onderling aangaat.

Hongerig, bijna agressief wenden deze mannen de blik naar buiten, dit in tegenstelling tot de nieuwe esthetici – waarbij het wellicht niet toevallig is dat drie van de vier hier genoemden vrouwen zijn – die niet voor de maatschappelijke confrontatie gaan, maar voor esthetische bezinning.

Meer dan de academisten uit de jaren zeventig proberen deze nieuwe esthetici los te komen van het kale concept. In hun romans construeren ze een wereld die betekenis moet krijgen, ook in vergelijking met de onze, maar zoekend. Aan beginselverklaringen doen ze niet – en van groepsvorming is geen sprake – maar bij alle vier lijkt de roman een laboratorium geworden. En dat is precies wat De Revisor-auteurs ook deden: ze zochten niet zozeer de directe emotie, maar deden in hun werk ‘onderzoek door middel van de verbeelding’. Met dat verschil dat de meeste personages bij de nieuwe esthetici op zoek zijn naar erkenning.

Complimenten

Eekhout doet dat nog het nadrukkelijkst door het portret te schetsen van een naar erkenning hunkerende generatie. ‘Ik wil complimenten en aansporingen…’, zegt een van de vijf vrienden. En meer dan eens formuleert de dichter, die nog nooit een letter heeft gepubliceerd, dat hij dolgraag ‘van betekenis wil zijn’.

En daarmee zijn we terug bij de sombere gedachten van Noordervliet. Ze schrijft, wanneer ze het heeft over het gebrek aan schrijvers die van betekenis willen zijn: ‘Literaire essays geschreven door goede lezers die als kompas en toetssteen werden gebruikt door andere lezers zijn vervangen door blogs, sterren, likes of hates bij Goodreads of Amazon. Geeft niet wat of hoe hij schrijft als hij zijn pr maar in orde heeft.’

Noordervliet staart zich blind op manifesten, artikelen en essays, maar er is iets veranderd: de analyse van de werkelijkheid is geen spel van de vorm meer, het is een esthetica geworden. Maar zolang die overwegingen in romanvorm gegoten kunnen worden, is de kanarie nog niet dood.

    • Toef Jaeger