Heerlijk! Alles wat Spaans is beschimpen we

De grootse nederlaag die het onafhankelijke Catalonië leed in 1714 vormt het hart van de nieuwe historische roman van Albert Sánchez Piñol. Al heeft het boek ook alle trekken van een politiek pamflet.

Folkloristische Castellers bouwen een menselijke toren in de Catalaanse autonome regio Foto Corbis/HH

Sinds 2001 heeft de 11de september wereldwijd een omineuze klank. In Chili was dat al langer het geval. Op 11 september 1973 maakte generaal Pinochet met veel geweld een einde aan de regering Allende. Ook daarbij hoort een iconisch beeld: geen instortende wolkenkrabbers, maar een stadion vol politieke gevangenen en martelsessies in de catacomben.

Nog veel verder terug reikt de speciale betekenis van die datum voor de Catalanen. Op 11 september 1714, vrijwel op de kop af driehonderd jaar geleden, werd Barcelona na een lang beleg ingenomen door de troepen van de Spaanse kroon, met actieve hulp van Frankrijk. Die nederlaag maakte een einde aan de laatste privileges van Catalonië die nog herinnerden aan zijn onafhankelijkheid van weleer.

Over die catastrofe publiceerde de Catalaanse schrijver Albert Sánchez Piñol twee jaar geleden een vuistdikke historische roman met de veelzeggende titel Victus: overwonnen. Het boek is nu in het Nederlands vertaald uit het oorspronkelijke Spaans waarin Sánchez Piñol het schreef. Dat is opmerkelijk, want zijn eerdere romans verschenen steevast in het Catalaans. En het is des te merkwaardiger omdat Sánchez Piñol, bij monde van zijn ik-figuur, de schelmachtige militair ingenieur Martí Zuviría uit Barcelona, geen gelegenheid voorbij laat gaan om vrijwel alles wat Spaans (Castiliaans) is te beschimpen.

Zuviría zet zich hartstochtelijk in voor de verdediging van Barcelona, nadat hij in Frankrijk bij de beroemde vestingbouwer Vauban een solide opleiding in belegerings- en verschansingstechniek heeft doorlopen. De eerste honderd bladzijden van de roman bieden een boeiend inkijkje in de mathematische technieken waarmee binnen en buiten Frankrijk monumentale bouwwerken tot stand kwamen die er in vogelvlucht uitzagen als exotische bloemen. Van Front bastionné tot échauguette legt Sanchez Piñol bij monde van Zuviría glashelder uit waarvoor het dient, aangevuld met fraaie illustraties. Voor zover Victus aanspraak maakt op originaliteit is daarmee het reservoir van de schrijver echter wel uitgeput. Dat de schelm Zuviría de (getrouwde) dochter van Vauban verleidt, haar vanwege het standsverschil weer moet afstaan en ruzie krijgt met diegene die tijdens het beleg van Barcelona zijn tegenstander zou worden – de (natuurlijk!) onbehouwen Hollander Menno van Coehoorn – is zo voorspelbaar als wat.

Het eigenlijke beleg, Zuviría’s poging de loopgraven van de vijand te saboteren door ogenschijnlijk verraad, de langzame vernietiging van de stad en de op gezette tijden ondernomen uitvallen vervelen al snel. Daar brengen zelfs een liefdesavontuur van de ik-figuur met een prostituee en zijn aangenomen ‘vaderschap’ over een zwerfkind en een dwerg geen verandering in. Net zo min als de scheldpartijen van de bejaarde Zuviría tegen de Duitse vrouw die zijn ‘memoires’ optekent: door Sánchez Piñol waarschijnlijk bedacht om te verklaren waarom Victus in het Spaans geschreven werd. ‘Teutonen’ spreken geen Catalaans.

Roeien en ruiten

Dat is niet de enige gewrongen constructie in het boek. Ook het karakter van de hoofdpersoon bevreemdt. Enerzijds is hij een cynicus, gemodelleerd naar grote voorbeelden uit de Spaanse schelmenliteratuur als Lazarillo de Tormes. Maar hij is na zijn Franse leertijd nog niet in Barcelona terug, of vurig patriottisme overvalt hem. Met de mond belijdt hij nog regelmatig zijn oude wereldwijsheid, maar in zijn daden is hij de idealistische held die zelfs voor een verloren zaak door roeien en ruiten gaat.

Want daar liep het Catalaanse verzet tegen de verenigde Spaans-Franse troepen op uit. In het touwtrekken om de Spaanse troonopvolging mengden zich vrijwel alle Europese grootmachten en Barcelona koos voor de door Engeland gesteunde Oostenrijkse kroonpretendent. Toen de Britten daar, als grootmeesters van het welbegrepen eigenbelang, niet langer brood in zagen, had ook voor Catalonië het doek moeten vallen. Maar Barcelona besloot door te vechten, tegen ‘Madrid’ en voor eigen rechten.

Je kunt dat heroïsch noemen. Sánchez Piñol laat bij monde van Zuviría in ieder geval geen gelegenheid voorbij gaan om de Catalaanse vrijheidsliefde te bejubelen tegenover het ‘slavenbestaan’ in de rest van Spanje. Maar ook in Barcelona is dan al niet iedereen tot zoveel bravoure geneigd. Vooral de regentenklasse maakt zich zorgen en wil capituleren. Die krijgt onder uit de zak van Zuviría en het volk van Barcelona. En dan lijkt het te midden van dat gehakketak plotseling alsof we helemaal niet meer in het begin van de 18de eeuw zitten.

Schriller

De twistgesprekken van toen vormen een volmaakte echo van het politieke onafhankelijkheidsdebat in het Catalonië van nu. Terwijl sommige politici in een geforceerde vlucht naar voren voor komend najaar al een volksraadpleging hebben aangekondigd, blijkt in de van oudsher nationalistische partijen menigeen het een stuk rustiger aan te willen doen. De afgelopen tijd is de toon tussen die kampen, én tussen Madrid en Barcelona, almaar schriller geworden.

Een historische roman gaat nooit alleen maar over het verleden, meestal zelfs niet in de eerste plaats. Victus is een politiek pamflet in de controverse rond een eventuele afscheiding van Catalonië. Tegelijk mikt het met zijn brede, epische vertelstijl op de bestsellermarkt, liefst op mondiale schaal (waarvoor je in het Spaans hogere ogen gooit dan in het Catalaans). In het beste geval zouden die twee elkaar kunnen versterken, met Barcelona in de rol van heldhaftig Asterix-dorp. Maar daarvoor heeft Victus te weinig in huis. Ook in het bestsellergenre is er een grens aan wat je met clichés nog doen kunt.

Met weemoed denk je terug aan de weergaloze roman La pell freda (De koude huid, in het Nederlands verschenen als Nachtlicht) waarmee Sánchez Piñol zo’n tien jaar geleden internationaal doorbrak. Het verhaal over een man die als vuurtorenwachter overwintert in de zuidelijke poolcirkel en belaagd wordt door een onbekende diersoort ging door merg en been. Langzaam ontdekte hij in die vreemde wezens steeds meer menselijke trekken. Zelden werd in de literatuur de ontmoeting met het ‘andere’ zo goed beschreven als in deze roman, waaruit Sánchez Piñol indrukwekkende lessen trok voor zijn vorming als antropoloog.

In Victus lijkt dat allemaal vergeten. Terwijl in Nachtlicht de kring van het menselijke steeds wijder getrokken wordt, wordt die nu steeds verder verengd. Op één excuus-Castiliaan na is er in het boek nauwelijks een niet-Catalaan te vinden die deugt. De tegenstanders zijn niet alleen ‘slaven’, maar in de ogen van de ik-persoon weinig meer dan wormen en insekten. Dat is de blik van het militant geworden nationalisme waardoor deze roman wordt gestuurd.

De sprankelende vertaling van Adri Boon (met mooie vondsten als geschut dat ‘nog geen deuk in een pakje boter kan slaan’) had een beter boek verdiend. Voorlopig valt dat van Sánchez Piñol niet te verwachten. Een vervolg op Victus is al aangekondigd, met de nóg rancuneuzere titel Vae Victus: Wee de overwonnene. Je houdt je hart vast.

    • Ger Groot