Extra geld voor talentontwikkeling in cultuursector

Het Davina van Wely-vioolconcours in 2007, Foto ANP/Evert-Jan Daniels

Het kabinet maakt extra geld vrij voor talentontwikkeling in de cultuursector. De komende twee jaar wordt acht miljoen euro extra vrijgemaakt voor ‘experiment en verdieping’ in de kunsten, schrijft minister Jet Bussemaker van Cultuur in een visiebrief over talentontwikkeling. Een deel van het geld is bedoeld als laagrentende lening.

De ontwikkeling van talent stokt volgens de minister op een aantal punten. Kunstinstellingen willen meer mogelijkheden om zowel de beginnende als de meer ervaren kunstenaars te begeleiden. Via bestaande regelingen van kunstfondsen en door middel van “ondersteuning op maat” wordt vijf miljoen euro geïnvesteerd in talent. De resterende drie miljoen wordt via leningen vrijgemaakt.

Nadruk op ondernemerschap

Het geld wordt onder meer gebruikt om beginnende kunstenaars in contact te brengen met coaches, die zowel hun expertise als hun netwerk inzetten. Ook krijgen ongeveer honderd kunstenaars in ontwikkeling via de Stichting Cultuur-Ondernemen een werkbudget van 9.000 euro per jaar.

Instellingen die al structureel geld ontvangen van het rijk, krijgen daarnaast vanaf volgend jaar meer ruimte voor talentontwikkeling. Zo krijgt het Fonds Podiumkunsten acht ton extra voor de regeling Nieuwe makers. Voor de beeldende kunst, de audiovisuele sector en de creatieve industrie is een miljoen euro beschikbaar.

De kleine leningen met een korte looptijd worden verstrekt om ondernemerschap bij beginnende kunstenaars te stimuleren. Bussemaker:

“Creatieve en artistieke toptalenten zijn essentieel voor de bloei, het niveau en de dynamiek van het culturele leven. Ze zorgen ervoor dat mensen zich kunnen laten inspireren door voorstellingen, films, boeken, exposities en muziek. Ze zijn nodig voor de creatieve oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen en kunnen anderen inspireren. Talentontwikkeling vind ik daarom heel belangrijk.”

De talenten die op bovengenoemde manieren worden gesteund, worden de komende jaren ook gevolgd, “zodat duidelijk wordt wat wel werkt en wat niet”. Die informatie wordt gebruikt om de maatregelen te evalueren.

    • Laura Klompenhouwer