Een oorlog met andere middelen

Na Duizelingwekkende jaren (2009), over de immense veranderingen in Europa in de jaren 1900-1914, komt deze Duitse historicus weer met een meesterlijk boek. Nu over 1918-1938. Elk jaar kreeg een eigen hoofdstuk.

Tullio Crali: Duikvlucht (1939), een schilderij over de futuristisch-fascistische verheerlijking van gevaar en oorlog Foto ANP

In Duitsland en Oostenrijk hullen hippe twintigers zich tegenwoordig in Lederhosen en Dirndl-jurken, signaleerden verschillende Nederlandse dagbladen onlangs. Zelfs in Nederland, lange tijd een Duitslandhatend land, worden steeds meer ‘Oktoberfeesten’ gehouden, waar, net als bij de traditionele Oktoberfeste in München, feestgangers in Beierse klederdracht aan lange houten tafels bier en braadworst nuttigen terwijl een blaasorkest hoempadeunen speelt.

Negentig jaar geleden waren de Trachten, de traditionele klederdrachten van de Oostenrijkse en Zuid-Duitse boeren, ook in de mode, schrijft de Duitse historicus Philipp Blom (1970) in Alleen de wolken. Cultuur en crisis 1918-1938. Al vóór de Eerste Wereldoorlog hulden ‘advocaten, zakenmensen, journalisten en andere stadsmensen’ zich tijdens hun Alpen-vakanties in klederdracht. Na de oorlog gingen ze die ook buiten hun vakanties dragen – zelfs Sigmund Freud is toen in een Lederhose gefotografeerd. Lederhosen en Dirndljurken, schrijft Blom in het hoofdstuk ‘1927: Een stad in vlammen’, waren de dracht van conservatieve nationalisten die op zoek waren naar een nieuwe identiteit van Oostenrijk dat door de oorlog was verkleind tot een provinciaals Alpenland.

Grote leegte

Verrassend is de terugkeer van de Lederhose niet. Want in moreel opzicht maakt het Westen nu een soortgelijke tijd door als in het interbellum, stelt Blom vast in de epiloog: ‘Na 1918 en nog een keer na 1929 werden mensen geconfronteerd met de vraag: hoe kan ik leven in een wereld met waarden en gedachten die plotseling niets meer voorstellen? Na 2008 is deze vraag teruggekeerd. Het idee van de onfeilbare markt is in diskrediet geraakt, het evangelie van de groei en de mythe van de meritocratie zijn voor veel tijdgenoten ontmaskerd als leugens. Maar in een wereld waaruit de grote ideologieën zijn verdwenen lijkt er weinig tot niets voorhanden dat die kan vervangen, en daarom is er nu sprake van een grote leegte.’

Alleen de wolken is het vervolg op Bloms Duizelingwekkende jaren uit 2009, over de immense en snelle veranderingen in de Europese cultuur, techniek en wetenschap in de jaren 1900-1914. En het is even meesterlijk.

In de voorganger van Alleen de wolken wilde Blom de Europese geschiedenis in de eerste vijftien jaar van de twintigste eeuw ontdoen van de schaduw die de Eerste Wereldoorlog er achteraf over heeft geworpen. Europa ging in deze jaren niet onvermijdelijk af op de grote kladderadatsch, zo liet hij zien, maar moderniseerde in een verbijsterend hoog tempo zonder dat iemand wist waar dit toe zou leiden. Zelfs in de zomer van 1914 had geen Europeaan benul van de catastrofe waarin de internationale julicrisis zou uitmonden.

In Alleen de wolken kan Blom zijn experiment van Duizelingwekkende jaren – de geschiedenis van een bepaalde periode beschrijven met de kennis of beter gezegd: de onwetendheid van toen – niet herhalen. Niet alleen wierp de Eerste Wereldoorlog onmiskenbaar een schaduw over het interbellum, maar ook verwachtten velen de nieuwe grote oorlog die uiteindelijk in 1939 zou uitbreken. Door de Vrede van Versailles in 1919, die immense herstelbetalingen oplegde aan de verliezer van de oorlog, was Duitsland in een permanente crisis geraakt, schrijft Blom. En dat maakte de kans op een nieuwe oorlog groot, zo wisten zelfs politici die bij de Vrede van Versailles waren betrokken. Toen de latere Franse president Paul Deschanel in 1919 werd gevraagd wat hij vond van het verdrag, antwoordde hij: ‘We hebben net voor de tweede wereldoorlog getekend’.

Eigenlijk was de oorlog met de Vrede van Versailles ook helemaal niet afgelopen, betoogt Blom. De eerste industriële oorlog in de geschiedenis werd na 1918 voortgezet ‘met andere middelen’ en ging over in ‘naar binnen gerichte oorlogen’ en cultuurstrijden in veel Europese landen en de VS. Zo werd WO I in revolutionair Rusland gevolgd door een bloedige burgeroorlog en later door een nog bloederigere oorlog tegen de boeren. En de drooglegging waartoe de regering van de VS in 1920 besloot is volgens Blom de uitkomst van de strijd tussen puriteinse plattelandbewoners en de in hun ogen decadente bewoners van grote steden als New York.

Blom ziet de Eerste Wereldoorlog dan ook niet als een breuk in de geschiedenis: de oorlog was slechts een intensivering van wat hij de ‘technologische moderniteit’ noemt. Doordat miljoenen mensen werden onderworpen aan ‘het absolute gezag van planning, training, massaproductie, standaardisering en logistiek’, bespoedigde WO I de komst van het tijdperk van de machine.

Alleen de wolken heeft dezelfde opzet als zijn voorganger: elk van de jaren 1918-1938 heeft een eigen hoofdstuk gekregen waarvoor Blom telkens een origineel of onbekend gegeven als startpunt neemt. Zo heeft hij voor het jaar 1929 niet gekozen voor de voor de hand liggende Wall Street crash die uitmondde in een wereldwijde economische crisis, maar voor Magnitogorsk, de nieuwe staalstad in Stalins Sovjet-Unie die vooral door dwangarbeiders werd gebouwd. Het jaar 1935 heeft hij gekoppeld aan Route 66, de beroemde, in een rock ‘n’ rollnummer vereeuwigde snelweg van Chicago naar Los Angeles waarover in dat jaar vele duizenden door jarenlange droogte verarmde boeren naar Californië trokken.

Duister

Net als in Duizelingwekkende jaren, wijdt Blom in Alleen de wolken veel regels aan literatuur en kunst. Zijn belangstelling gaat hierbij vooral uit naar de irrationele, duistere kanten van de westerse cultuur in het interbellum. Het surrealisme van de Franse schrijver André Breton, die een grote belangstelling had voor Freud, het onderbewustzijn en irrationaliteit, heeft bijvoorbeeld meer ruimte gekregen dan het Bauhaus, Le Corbusier en andere herauten van de machinekunst die op de puinhopen van WO I een rationele, nieuwe wereld wilden bouwen. En als hij hun ideeën behandelt, laat hij zien dat hun plannen al gauw uitliepen op duistere, totalitaire utopieën. Zo werkte de Russische ingenieur en dichter Aleksej Gastev in de jaren twintig als leider van het Centrale Werkinstituut aan de vorming van de nieuwe Sovjetmens, legt Blom uit in het fascinerende hoofdstuk over 1926. Voor Gastev was de ideale mens een productie-eenheid die slechts werd afgerekend op zijn efficiency. Niet alleen zijn huisvesting en scholing zouden in de toekomst zijn gestandaardiseerd maar ook zijn taal, voedsel, gedachten en zelfs seks. De nieuwe mens zou, kortom, een robot worden.

    • Bernard Hulsman