Een leerschool in fijngevoeligheid

Mompelen mocht niet bij de familie Vogel. Wellicht kwamen er daarom diverse acteurs uit die familie. De biografie toont de opkomst, neergang en in een enkel geval een nieuwe opkomst van Vogel-acteurs.

Het hele gezin Vogel op de pier van Scheveningen, ca. 1929. V.l.n.r. Albertje, Emmy Buwalda, Ellen, Ellen Vogel-Buwalda, Tanja, Albert Vogel sr. Foto Haags Gemeentearchief, afgebeeld in het boek

Het duizelt even: al die adellijke familienamen uit het achttiende-eeuwse Europa, van Saksen tot Silezië, al die slotgrachten en al die tochten per diligence, al die slagvelden en al die militaire onderscheidingen. Maar dan duikt Albert Vogel in dit verhaal op, aan het eind van de negentiende eeuw. Aanvankelijk, zoals zijn afkomst gebood, in het uniform van luitenant in het Nederlandse leger, maar ook al gauw als getalenteerd voordrachtskunstenaar. Eerst nog bij wijze van liefhebberij, tot hij ten slotte, ruim honderd jaar geleden, definitief voor het kunstenaarsbestaan koos. En de stamvader werd van de theaterfamilie, die in het boek De Vogels het epitheton flamboyant heeft gekregen. Dat had even goed gedistingeerd of chic kunnen zijn geweest, of, al even passend: Haags in hart en ziel. Bijzonder genoeg, in elk geval, voor een familiebiografie.

Albert Vogel (1874-1933) vierde triomfen als declamator. Met zijn martiale gestalte en bliksemende dictie blonk hij uit in de voordracht van heroïsche epiek uit klassieke versdrama’s als Julius Caesar, Koning Oedipus, Lucifer en Coreolanus. Zijn kunst, zei hij zelf, diende zich ver te verheffen boven het alledaagse realisme. Gloeiend en galmend bewees hij eer aan ‘de heerlijke overmoed, de mannelijke zinnelijkheid, de bloedrode liefde, de heldendaad en de vreugde van de heldendood’ die hij voornamelijk vond bij schrijvers als Sofokles, Shakespeare en Vondel.

Verering

Tien jaar geleden publiceerde Caroline de Westenholz een studieuze biografie over deze voordrachtskunstenaar, waarin ze een gedegen gedocumenteerd beeld opriep van een allang uitgestorven theatergenre. Haar nieuwe boek De Vogels heeft een bredere actieradius. Het vertelt opnieuw, in veel korter bestek, hoe Albert Vogel in zijn gloriejaren werd vereerd en welke prominente rol hij destijds ook speelde in de Haagse kunstenwereld, onder meer als voorzitter van de Haagse Kunstkring.

Maar ditmaal gaat het ook over zijn vrouw Ellen Vareno, die eveneens voordrachten hield – en bijvoorbeeld werd bewonderd door Louis Couperus, uit wiens werk ze graag reciteerde. En over hun drie kinderen: de balletdanseres en -pedagoge Tanja Altingh Vogel, de eveneens in Couperus gespecialiseerde voordrachtskunstenaar Albert Vogel junior en de bekendste van het stel: de nu 92-jarige actrice Ellen Vogel.

Alle drie kozen ze dus voor een aan het theater gerelateerde carrière. De biografe suggereert dat dat ook eigenlijk niet anders kon, met twee ouders die hen in alles voorbereidden op een artistieke toekomst. ‘Mijn ouders waren schattig, maar er waren twee dingen waar ze streng in waren’, zei Ellen Vogel eens. ‘We moesten rechtop lopen en duidelijk spreken’.

Caroline de Westenholz zet die uitspraak kracht bij met het verhaal dat vader en moeder Vogel aan mompelaars altijd nadrukkelijk vroegen: ‘Wat zeg je?’ En bovendien citeert ze Albert Vogel junior, die ooit vertelde: ‘Wij werden als kinderen opgevoed met lezen. Enorme boekenkasten, wij konden maar graaien en lezen’.

In dit tweede boek slaat de biografe een heel andere toon aan dan in het eerste: wederom feitelijk en gedegen, maar af en toe ook uitgesproken familiair. Dat heeft vast en zeker te maken met het feit dat ze hier uit de kast komt als stiefdochter van Vogel junior. Ze heeft dus in die familie geleefd en kent iedereen – ook de aangetrouwden bij wier afkomst ze soms langer stilstaat dan ter wille van de leesbaarheid wenselijk zou zijn.

Maar kleurrijk is haar verhaal wel, en het wemelt van de Haagse couleur locale. Soms zelfs onbedoeld, want als ze iemand licht spottend omschrijft als ‘een schandelijke flirt’, is dat het typerende taalgebruik van de cercle waarin de Vogels zich bewogen. En als ze over de hoofse acteerstijl van Ellen Vogel schrijft, is haar kennis van zaken evident: ‘Een van de kenmerken van een opvoeding in ‘‘Haagse kringen” is immers een leerschool in fijngevoeligheid – door buitenstaanders ten onrechte als hypocrisie aangeduid – waarbij zaken die onaangenaam zijn, of niet strikt comme il faut, of pijnlijk voor een persoon in kwestie, in bedekte termen, in een enkel woord of in een subtiele beeldspraak worden aangeduid, zodat de goede verstaander weet waar het over gaat, maar nooit benoemd. [...] In het dagelijks leven eist dit een zekere delicatesse in de kunst van het converseren; op het toneel zou het Haagse stijl kunnen worden genoemd’.

Ischa Meijer

Over die Haagse stijl hebben we de laatste jaren trouwens weinig meer gehoord. De eerste kritiek op deze hyperverzorgde speelstijl dateert al uit de jaren zeventig, toen Albert Vogel junior door de schrijver Heere Heeresma werd bestempeld als ‘passé, démodé en weg ermee’, terwijl zijn acterende zus door criticus Ischa Meijer onheus werd omschreven als ‘de actreutel Ellen Vogel, die uit een onbegrijpelijk soort masochisme telkenmale weer de aandacht van het ganse vaderlandse theaterleven op haar eigen onmacht wenst te richten.’

Hoe haar reputatie na die karaktermoord allengs toch nog een glorieuze wederopstanding kon beleven, kan Caroline de Westenholz niet geheel verklaren. Misschien is ze daarvoor ook iets te veel een betrokkene die vanzelfsprekend met haar hoofdpersonen meeleeft.

Wel wordt duidelijk dat Albert Vogel junior de kritiek minder goed overleefde dan zijn zuster. Zijn voordrachtsvak raakte goeddeels in onbruik. Met zijn Couperus-programma trad hij ooit tweehonderd keer per jaar op. In 1973 waren dat er nog maar twintig.

Vogel stopte ermee en runde sindsdien een galerie in hetzelfde Haagse pand dat tegenwoordig het Couperus-museum is. Want in Den Haag zijn allerlei tradities nooit helemaal verdwenen.

    • Henk van Gelder