Droogstoppelige beestenboel

Met neergeslagen ogen wandelen ze door het leven, de droogstoppelige dieren in Peter Browns prentenboek Meneer Tijger wordt wild. Op zijn tekeningen lopen ze op hun achterpoten en dragen ze deftige kostuums: de dames vos, paard en varken gaan allen gekleed in dezelfde rok, erboven een blouse met ruches. De heren beer, neushoorn en eland gaan in pak, met strikje en hoge hoed. Meneer Tijger ook – maar kijk naar zijn ogen. Die staan wél open, en nors. De tekst van de Amerikaan Brown: ‘Meneer Tijger was het beu om altijd maar netjes te zijn.’

Die woorden zijn explicieter dan strikt noodzakelijk was, want het sterke beeldverhaal van Brown spreekt voor zich – tegelijk een kwaliteit, die je het boek dan ook moeilijk kwalijk kunt nemen. De kracht zit in details zoals die ogen, maar ook in de sterke structuur van zijn beelden – in die combinatie van kwaliteiten toont Brown zich bijna een gelijke van de geprezen prentenboekmaker Jon Klassen, die een van de leukste prentenboeken van de afgelopen jaren maakte: Deze hoed is niet van mij.

Meneer Tijger wordt wild doet denken aan dat boek van de geniepige grapjesmaker Klassen, al is de ondertoon hier wel wat serieuzer: de stadse dieren in aards bruin en grijs en de oranje meneer Tijger die daar fel tegen afsteekt, zetten de toon van een verhaal over conformisme.

Het boek heeft een uitstekend uitgekiend vertelritme: nadat Brown de wereld heeft neergezet in uitgezoomde beelden, komen we op een dubbele pagina ineens dicht bij meneer Tijger. De achtergrond verdwijnt, zijn ogen staan inspecterend. Vier keer staat hij op de bladzijden, telkens iets verder naar beneden gezakt: na het omslaan van de bladzijde blijkt hij op vier poten te staan. De kleurloze beesten zien hem met verbaasde ronde oogjes aan – totdat Tijger ‘een stapje te ver’ gaat en na een plonsbeurt in een fontein zijn kleren niet meer aantrekt. Dan vindt men dat hij maar beter de wildernis in kan gaan: een geweldig idee, vindt de tijger zelf.

Brown pakt dan uit: zijn wildernis is uitbundig, met woeste planten en weelderige watervallen. Maar een uitgestrekte grasvlakte maakt ook eenzaam – en het conformisme krijgt een compromis als antwoord. Een beetje wild is ook goed. Of dat een zwak einde is aan een verhaal dat zo eenduidig leek, is de verrassende vraag waarmee dit sterke boek je achterlaat.

    • Thomas de Veen