25 katten die alles onder hebben gepoept

Aan de binnenkant van het huizenblok waar ik woonde, keek je uit op de woning van iemand die je eigenlijk nooit zag. Je zag wel de gescheurde resten van gordijnen die in de loop van de jaren aldoor verder vergingen achter de deuren naar zijn balkon, waarop heel soms een dunnig handdoekje hing te drogen.

Een vriendin keek eens naar die overkant en zei peinzend en meelevend: ,,Wat treurig hè?”

Daar keek ik van op. Ik vond het merkwaardig, viezig, onnodig. Maar niet treurig.

Zo weinig begreep ik nog maar van het leven en de mensen.

Als je terugkomt van vakantie, kan het zijn dat je tuin is uitgegroeid tot iets dat je minder dan ooit herkent als je gedroomde tuin. Het gras is lang, heggen zijn uitgegroeid, de rozen hebben een doornrijke groeispurt genomen.

In huis liggen stapels kranten en post, en ook nog stapeltjes van voor de vakantie met dingen die opgeruimd en gesorteerd moesten worden maar die je wel ná de vakantie zou zien. Dit alles wordt nu razendsnel aangevuld met vuile was, halve flesjes zonnebrand, spulletjes die daarginds begeerlijk leken maar nu nog niet weten wat hun bedoeling is, folders van musea, zonnebrillen, wandelschoenen.

Ineens kan de angst je bekruipen dat je dit alles nooit meer goed zal krijgen. Dat er teveel chaos is, overal, dat je er machteloos tegenover staat.

Zo’n gevoel is meestal niet meer dan een angstige korte blik in een leven dat ook voor je weggelegd zou kunnen zijn: een leven waarin je zelfs niet meer de illusie kunt hebben dat je greep op de dingen hebt.

In de documentaire Grey Gardens van de gebroeders Maysles uit 1975 (op internet te zien) kun je zien waar dat toe kan leiden. Die gaat over een moeder en dochter die al meer dan twintig jaar met een kleine toelage leven in een huis op Long Island dat bedoeld is voor mensen met grote toelages, mensen zoals zij vroeger waren.

Nu zijn de 25 kamers vrijwel onbewoonbaar, er wonen tenminste 25 katten die alles onder hebben gepoept, sommige kamers zijn gevuld met lege blikjes kattenvoer, vloeren zijn kapot, half verdwenen of overwoekerd, overal liggen resten van een vroeger leven, op de oprit staat een al dertig jaar geleden overleden auto, de tuin is onzichtbaar geworden. De twee vrouwen zitten elkaar in de haren maar slagen er niet in weer los van elkaar te komen.

Het is angstaanjagend. Je merkt aan de manier waarop de vrouwen praten en zich gedragen dat ze als het ware één zijn geworden met hun situatie, met dat huis en met de staat waarin het verkeert. Er kan geen sprake van zijn dat ze iets aanpakken en opruimen.

,,Je omgeving weerspiegelt de binnenkant van je hoofd”, zei een vriend laatst. Dat is zo geloof ik. Al weet ik niet helemaal precies hoe, toch lijkt het wel zeker dat iemand die niet weet hoe hij of zij moet leven er al evenmin in zal slagen om een prettig ingerichte, opgeruimde omgeving te creëren. De woonkamer op de gesloten afdeling van de Valeriuskliniek waar ik ooit bij iemand op bezoek was, was daar een sprekend voorbeeld van: overal brandgaatjes van sigaretten, een keihard loeiende televisie waar niemand naar keek, half leeggedronken glazen, alles troeperig en ongezellig.

Treurig. Dat is het inderdaad. En de angst die je even bekruipt voor je de zaken weer op orde hebt is veel existentiëler dan-ie op het eerste gezicht lijkt. Het is geen huisvrouwenpaniek, het is angst om uiteen te vallen. Want dat kan.

    • Marjoleine de Vos