150 jaar Van Dale of toch 140 jaar?

In 1864 verscheen het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal. Tien jaar later volgde de herziene Van Dale, het woordenboek dat voor taalliefhebbers geldt als „ onmisbare vriend”.

Jan Hendrik van Dale (1828-1872).

Achter de Grote of Dikke Van Dale gaat een gezicht schuil. Het is een slank gelaat met bescheiden trekken, getooid met een jongensachtige kuif. Sinds 1924 is het standbeeld van woordenboekmaker, archivaris en hoofdonderwijzer Jan Hendrik van Dale (1828-1872) te bewonderen in Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, waar hij werd geboren, onmetelijk hard werkte en op 44-jarige leeftijd overleed. De buste is in brons gegoten, bij bepaalde lichtval lijkt het goud. Niet ver ervandaan ligt Hotel de Dikke Van Dale.

Ik ben een woordenboekverslaafde (staat niet in Van Dale) en de eerste kennismaking met het bronzen eerbetoon had iets van een schok. Hoe was één iemand in staat geweest het Groot Woordenboek der Nederlandse taal, zoals de Van Dale officieel heet, samen te stellen? Toegegeven, Van Dale heeft zijn levenswerk onvoltooid achtergelaten. Hij overleed in 1872 aan pokken, halverwege het alfabet. Een kwekeling op de openbare school van Sluis waar Van Dale les gaf, voltooide het werk en kwam al in 1874 met de eerste echte Van Dale, zo genoemd als hommage. Eigenlijk zou Sluis een tweede standbeeld moeten oprichten, gewijd aan Johannes Manhave (1850-1927). Zonder de inspanningen van Manhave was het gezaghebbende dictionaire er vermoedelijk nooit gekomen. Van Dale staat voor ingewijden te boek als de man van „een half woordenboek”. Het is zijn onvoltooide symfonie.

Dat wij nu, in augustus 2014, het 150-jarig bestaan van Van Dale’s woordenboek vieren, schept enige verwarring. In 1864 kwam er helemaal geen woordenboek uit dat de naam van de schoolmeester en stadsarchivaris van Sluis draagt. Wel verscheen dat jaar het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, samengesteld door de zwagers I.M. en N.S. Calisch. Dit woordenboek gaat terug op eerder verschenen Frans-Nederlandse vertaalwoordenboeken. De uitgave werd een mislukking, de rechten verkocht. De nieuwe uitgever, Thieme uit Arnhem, vroeg aan Jan Hendrik van Dale om het woordenboek te herzien, uit te breiden en om te zetten in de nieuwe spelling van die tijd. Van Dale had al honderden artikelen en tientallen boeken geschreven over de historie van Sluis, over spelling, zinsontleding en zuiver schrijven. Het werken aan het woordenboek heeft hij in zijn korte leven ervaren als een kwelling. Meermalen zou hij tegen Manhave verzucht hebben dat hij zich nooit meer zou lenen voor dit monnikenwerk. Inmiddels was Jan Hendrik getrouwd met Maria Jacoba Moens, die hem zeven kinderen schonk.

Van Dale beschouwde een woordenboek als meer dan alleen een verklarende woordenlijst. De vergelijking tussen het lemma ‘woordenboek’ uit de editie van 1864 en de huidige editie, die van 2014, is leerzaam. Eerst 1864: „verzameling van woorden, namen enz., alfabetisch gerangschikt.” Dat is het dus, een ‘woordenverzameling’. Dan 150 jaar later: „boek waarin woorden (met opgave van bep. grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen”. Hier raken we de kern van Van Dales inzet: hij, de taalgeleerde die naam had verworven met schoolboeken over spelling en zinsontleding, had zijn zinnen gezet op meer dan een losse woordenlijst; hij benadrukte ‘grammaticale kenmerken’ en ‘vaste verbindingen’. Hij beschreef en verklaarde een woord in een groter geheel, in zinsverband. De voorbeeldzinnen waarmee een Van Dale is verrijkt, zijn even levendig als onmisbaar. Daarin proef je de betekenis van een woord.

De lof die Van Dale’s woordenboek uit 1874 kreeg was groot. Zijn naam prijkte tien jaar na de zogenoemde ‘eerste editie’ op de titelpagina, voor het eerst. Het leek of de taalgeleerde alles ineen had geschreven: vraagbaak, praktische gids, een ‘onmisbare vriend’, zoals het letterkundig nieuwsblad Onze Tolk schreef. Ook was het uitermate geschikt voor de koopman en de rentenier, aldus het blad, „wiens hoofdbezigheid bestaat in het lezen van couranten”. Zelfs zou het de slaapvertrekken sieren van onze „Nederlandsche jongedochters” die zich dienen te bekwamen in het briefschrijven. Dat laatste is een treffende observatie: het woordenboek als stilistische toeverlaat. Ook was het de verdienste van de taalgeleerde uit Sluis dat hij tal van Zuid-Nederlandse woorden een plaats geeft in het algemene taaleigen, en deze niet minzaam afdoet met de kenschets als dialect.

De Van Dale was vanaf dat jaar, 1874, niet weg te denken uit de Nederlandse cultuur, en verwierf zich een vaste plaats naast een andere foliant, de Bijbel. Dat maakte Jan Hendrik van Dale dus niet mee; hij overleed twee jaar eerder.

De noeste woordenboekmaker zelfs was geen gelukkig mens. De pokken verwoestten zijn gezicht. Zijn maniakale ijverzucht en ordeningsdrang vervreemdden hem van zijn omgeving. Zelf stierf hij jong, zijn kinderen stierven nog jonger. In zijn laatste levensjaren leed hij aan waanbeelden en angsten, zoals blijkt uit de biografie Een leven in woorden (2003) door taalkundige Lo van Driel. Van Dale omschrijft ‘angst’ als een ‘gevoel van beklemming en vrees, veroorzaakt door een (wezenlijk of vermeend) dreigend onheil of gevaar’. Met enig inlevingsvermogen kunnen we stellen dat Van Dale met deze kenschets wellicht een zelfportret schreef. In de wereld der lexicografie is dat nooit eerder gedaan. Voor hem was zijn eigen woordenboek angst en verslaving tegelijk.

    • Kester Freriks