Schrappen zodat Stoner op toneel kan

Dramaturg en schrijver Tom Blokdijk bewerkte voor de elfde keer een roman voor toneel: de bestseller ‘Stoner’ van John Williams. Wegstrepen, skippen, schrappen, steeds opnieuw, zo gaat hij te werk. „Een boekbewerking, dat is één grote moordpartij.”

Tom Blokdijk: „Als bewerker van een boek haal je de ruis weg en leg je de kern bloot.” Foto Rien Zilvold

Geen waanzinnige koning, geen weifelende troonopvolger – William Stoner is een doodgewone docent Engels aan de universiteit van Missouri. Zijn leven kent weinig opwinding – geen storm, geen spoken, geen moord – en slechts een reeks kleine, persoonlijke tragedies. Op het eerste gezicht ontbeert John Williams’ Stoner alle aansprekende ingrediënten van het klassieke toneelrepertoire. ‘Een spectaculair onspectaculaire roman’, schreef deze krant.

Desondanks bewerkte Tom Blokdijk het boek voor toneel. Lastig: hoe maak je levendig drama van een onopvallende man in die stijve academische wereld? Maar gelukkig gaat Stoner óók over het vuur van de verbeelding. Over het vlammetje dat, als het overslaat, een leven kan veranderen.

Bij een pot filterkoffie en een trommeltje kletskloppen vertelt Blokdijk (74) dat hij van tevoren sterke twijfels had. „‘O nee’, dacht ik, ‘niet wéér zo’n boek’. Ik ben een tijd terug gevraagd om Arnon Grunbergs Tirza voor toneel te bewerken, maar dat vond ik een rotboek. Wéér zo’n depressieve man die de ene na de andere stommiteit begaat – daar wilde ik geen maanden van mijn leven aan besteden. Ik heb het gehad met die losersliteratuur.” Vooraf had Blokdijk dus één belangrijke vraag aan regisseur Ursul de Geer: wat voor man is Stoner? Antwoord: ‘Hij is géén loser. Hij is een held.’ Blokdijk: „Toen kon ik aan de slag.”

Tien romans bewerkte Blokdijk inmiddels voor toneel, waaronder Menuet van Louis Paul Boon, De Speler van Dostojevski en Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq. Stoner is nummer elf. Uitdunnen, daar begint het mee, zegt hij. „Wegstrepen, skippen, schrappen, steeds opnieuw, tot je zo’n 20 procent overhoudt.” Van de 320 pagina’s van Stoner zijn er 69 over. „En nog is dat veel: je moet algauw drie minuten per pagina rekenen. Maar er kan altijd meer uit dan je denkt.” Williams’ beschrijvingen van de universiteit; zijn weergave van Stoners colleges – ze maakten zijn werk niet moeilijker, maar makkelijker, aldus Blokdijk. „Dat kan allemaal zo, hupsakee, weg.” Lacht: „Dat ruimt alvast lekker op.” En dan, sardonisch: „Een boekbewerking, dat is één grote moordpartij.”

Nee, Stoner vormde op een ander vlak een uitdaging. In aantallen personages, in de minutieuze opbouw („Williams is een meester-constructeur”) en in de precieze, fijnzinnige psychologie. Blokdijk paste de (statische) vertelstructuur aan voor toneel door de stervende Stoner te laten terugblikken op zijn leven. Hij schrapte een handvol personages en voegt significante gebeurtenissen samen. Op toneel vallen straks het overlijden en de begrafenis van vader en moeder Stoner samen. Blokdijk: „Zo kan ik de emotie die bij beide begrafenissen opspeelt, in één keer tonen.”

Williams’ treffende psychologie was een volgend probleem. Neem zijn beschrijving van Edith, Stoners odieuze echtgenote: ‘Ze was grootgebracht in de veronderstelling dat ze behoed zou worden voor de nare gebeurtenissen die het leven voor haar in petto kon hebben, en in de veronderstelling dat ze geen andere taak had dan elegant en bedreven aan die bescherming mee te werken.’ Hoe vat je zo’n beschouwing in levende taal, binnen de natuurlijke interactie van personages? Blokdijk: „Dat soort informatie in een dialoog stoppen is strontvervelend.” Dus werkte hij de tekst om tot een onhandige eruptie van het timide meisje, op het moment dat ze door Stoner het hof wordt gemaakt: ‘Mijn vader beschouwde het als zijn heilige plicht om mij te behoeden voor alle nare gebeurtenissen die het leven voor mij in petto zou kunnen hebben, door me van alle gevaren verre te houden of me te vergezellen.’

„Dat vind ik wel een vondst”, glundert hij. „Ze barst daar los. Het is een totaal dichtgetimmerd kind, maar even breekt ze uit het keurslijf van haar opvoeding, met een bijna koortsachtige zelfanalyse. Ik denk dat dat kan, dat het klopt.” En passant geeft Blokdijk Edith zo ook meer reliëf: hij benadrukt hoe haar latere kwaadaardigheid wortelt in die beknotte jeugd. „Dat zit allemaal wel in het boek, hoor. Maar als bewerker verhelder je in zekere zin het zicht op het verhaal. Je haalt de ruis weg en legt de kern bloot.”

Wat hij heeft blootgelegd van Stoner? „Het verhaal van een man die wel buigt, maar niet breekt. We zien een man die zich flink laat beschadigen, maar uiteindelijk de kracht vindt om voor zichzelf op te komen en terrein terug te winnen. Williams zegt: wapen jezelf. Als je niet hard genoeg bent, moet je sluw zijn, en veerkrachtig.”

Tegenover die harde les stelt Williams de troost van de verbeelding. Als student landbouwkunde wordt boerenzoon Stoner bij het verplichte college Engels – tot zijn schrik en ergernis – diep geraakt door een sonnet van Shakespeare. De kennismaking verandert zijn leven: hij wisselt van studie en in plaats van zijn vader op te volgen op de boerderij wordt hij docent aan de letterenfaculteit. Een grootse, ingrijpende koerswijziging, die hem zelf overvalt. Zijn mentor Archer Sloane verklaart het zo: ‘Liefde, meneer Stoner. U bent verliefd op de Engelse literatuur. Zo eenvoudig is het.’

De bewerker zocht naarstig naar een manier om die verliefdheid vorm te geven. „Stoner komt uit een niet-geletterd milieu en opeens komt daar de verbeelding zijn wereld binnen.” Dat illustreert Blokdijk door de literaire personages waar Stoner door wordt gegrepen – Tristan en Isolde, Hamlet en Ophelia en Koning Lear – fysiek op toneel te laten verschijnen; alsof ze voor zijn ogen werkelijkheid worden. „De literatuur gaat letterlijk voor hem leven.”

Dat is, vindt Blokdijk, het voordeel van theater boven boeken; dat je op toneel kan laten zien wat een boek alleen beschrijft. „Ja, dat is wat toneel vermag, dat je het ervaarbaar maakt.” Maar hij is ook van het boek gaan houden. „De liefde voor literatuur die eruit spreekt, mag ik nu naar het toneel brengen. Dat doe ik graag, want enige zendingsdrang is mij niet vreemd.”

    • Herien Wensink