Oude muziek op zoek naar nieuwe wegen

In Utrecht begint vrijdag het Festival Oude Muziek. Ondanks het succes maakt artistiek leider Xavier Vandamme zich zorgen. „Alles begint op elkaar te lijken.”

Graindelavoix, met tweede van links artistiek leiderBjörn Schmelzer, speelt op 6 september. Foto Koen Broos

‘Het barokorkest van nu speelt even standaard en routineus als de grote symfonieorkesten toen Frans Brüggen in 1970 riep dat iedere noot van het Concertgebouworkest gelogen was. Alles lijkt op elkaar. Het is imitatie van imitatie van imitatie.”

Aan het woord is geen oudemuziekhater, maar Xavier Vandamme, artistiek leider van het Festival Oude Muziek. Morgen begint zijn Utrechtse festival, dat nog altijd een van de belangrijkste is voor muziek uit de Middeleeuwen, Renaissance en Barok. De bezoekersaantallen waren de afgelopen edities hoog, vorig jaar trok het festival 56.000 mensen. En toch is er reden tot zorg. De oudemuziekbeweging heeft iets gezapigs gekregen, vindt Vandamme.

„In de jaren van pioniers als Gustav Leonhardt en Nikolaus Harnoncourt had je een aaneenschakeling van revoluties”, zegt de Vlaming. „Oude speelwijzen, instrumenten en repertoires werden herontdekt. Daarop volgde een proces van normalisering: de oude muziek bereikte de grote podia, de conservatoria, vond haar weg naar het establishment. Vanaf grosso modo 2000 zie ik een trend van standaardisering. Wat zich niet vernieuwt, gaat dood.”

Wanneer hij voor het laatst echt verrast werd? Het blijft lang stil. „Vaclav Luks met het Collegium 1704, die maakt van muziek een emotiemachine. Dat was tijdens ons festival vorig jaar.”

Imiteren

Vandamme is lang niet de enige die zich zorgen maakt. Antoinette Lohmann, barokvioliste en docent historische documentatie aan het Utrechts conservatorium, ziet dat veel ensembles elkaar nadoen. „Er zijn langzamerhand meer mensen die imiteren wat de beweging in gang heeft gezet dan mensen die zelf bronnen lezen”, zegt Lohmann. „De oudemuziekbeweging ging het erom de klankwereld van de componist recht te doen. Onderzoek hoorde daarbij. Nu is er een aantal tradities die worden overgedragen.”

Die speelwijzen veranderen nauwelijks meer, merkt Lohmann. Ontdekkingen worden lang niet altijd in praktijk gebracht.

Lohmann noemt als voorbeeld de manier waarop violisten tot 1700 hun strijkstok vasthielden. „Onder de slof, met de duim op het haar. Daarmee beïnvloed je de spanning op de snaren. Waarschijnlijk heeft Bach dat ook zo aangeleerd gekregen, waarom speelt dan bijna niemand op die manier? Het is heel comfortabel om bij een repetitie neer te ploffen en het te doen zoals we het vorige week deden. Terwijl we in de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk juist de vraag moeten stellen: zoals we het gisteren deden, was dat juist?”

Een andere oorzaak dat de ensembles steeds meer op elkaar lijken, is dat iedereen elkaar kan horen. Lohmann: „En de perfectie van de opname wordt nu ook in de concertzaal verwacht. Dankzij de nieuwste technieken klinkt alles toch wel mooi. Live mag je daar niet meer van afwijken. En als je nu in een afwijkende stemming speelt, denkt iedereen dat het wel vals zal zijn. Ik merk dat sommige musici huiverig zijn om het anders te doen.”

Als ensembles wel bewust voor een andere benadering kiezen, kan dat ook veel aandacht opleveren. Dat merkt Björn Schmelzer, leider van het Vlaamse vocaal ensemble Graindelavoix. Schmelzer (blond Vikingkapsel) werkte met soefizangers en liet zich inspireren door monniken in Sardinië. De notenteksten van het repertoire dat hij zingt, uit de Middeleeuwen en Renaissance, kennen nog meer open plekken dan de barokmuziek waarover Lohmann zich buigt. Maar hoewel we nauwelijks iets weten van hoe het geklonken heeft, klinken ook in zijn repertoire ensembles naar elkaar.

„We kijken te weinig naar de praktijk tussen de noten om de muziek echt te laten herleven”, zegt Schmelzer. „Eigenlijk geldt: hoe strakker je je aan de notentekst houdt, hoe minder je doet. Die componisten noteerden niet wat gebruikelijk was om tussen de noten te doen. Als je die noten dan heel netjes volgt zonder daar iets aan toe te voegen, weet je zeker dat je mis zit.”

Volgens ‘t boekske

Uiteindelijk is het juist zijn ensemble dat vaak wordt bekritiseerd, in plaats van het zoveelste strakke, loepzuiver zingende Britse koor. Schmelzer: „De oudemuziekscene speelt graag op veilig. Het publiek wil veel van hetzelfde, variatie wordt je niet in dank afgenomen. Het lijkt wel alsof altijd een rechtbank moet oordelen of onze uitvoeringen wel volgens ’t boekske zijn.”

Maar als het oudemuzieklandschap er zo voor staat, hoe stel je dan toch een mooi festival samen? Xavier Vandamme: „Ik probeer zo veel mogelijk voor diversiteit te gaan. Ik geef voorrang aan onbekend repertoire. Als het gaat om uitvoeringspraktijk, dan compenseer ik graag, ik wil andere wegen laten zien.”

Als voorbeeld van hoe het wel moet, noemt Vandamme Gunar Letzbor, barokviolist en leider van Ars Antiqua Austria. Hij zal onder meer een mis van Biber uitvoeren. „Met een kinderkoor!”, zegt Vandamme. „Je merkt dat sommige mensen het niks vinden, maar wat mij betreft heeft hij een totaal andere stem. Hij is enorm expressief en met contrasten bezig. Hij gelooft dat je met een kinderkoor een ander soort emotie kunt aanboren.”

Het festival doet zelf ook iets om vernieuwing een impuls te geven. Tijdens het symposium, morgen, wordt er gesproken over onderwijs in oude muziek. Vandamme: „De vraag is: hoe maken we kunstenaars van jonge musici? Ook starten we een laboratorium waarin we het zullen hebben over declamatie en gestiek.”

Maar is dichter bij de klankwereld van de componist komen nog wel het hoogste doel? „Dat is een heel moeilijke vraag. We moeten niet de Slag bij Waterloo nog eens overdoen, niemand wil een uitvoering uit 1750 precies nabootsen. 95 procent van wat we horen bij een uitvoering is, noodgedwongen, een creatie van nu. Dat is juist wat het spannende kunst maakt. Dat wij er over tien jaar nog over kunnen discussiëren, maakt dit zo mooi. Het creatieve potentieel van de oude muziek is eindeloos.”