Opinie

    • Frits Abrahams

Inferno

Terwijl Nederland nog rouwde om de vliegramp in Oekraïne (196 Nederlandse slachtoffers onder 298 doden), liep ik rond in de Zeeuwse badplaats Westkapelle waar zich op 3 oktober 1944 een vergelijkbare ramp voltrok. Bij een geallieerd luchtbombardement kwamen die dag 157 inwoners om. Wie zal er destijds om hen gerouwd hebben, behalve de nabestaanden? Nederland had wel iets anders aan het hoofd.

Westkapelle zal die dag nooit vergeten. De bezoeker stuit overal op herinneringen aan dit inferno. Op de dijk waar Duitse jongetjes enthousiast op een tentoongestelde Sherman-tank spelen. Dieper in het dorp op de centrale begraafplaats die een fraai herdenkingsmonument bevat. In het Polderhuis dat niet zonder reden ‘Dijk- en Oorlogsmuseum’ heet.

Daar koop ik het boek Het niet vertelde verhaal van 1944, een subliem staaltje orale geschiedschrijving uit 2011 van Ada van Hoof. Zij laat tal van overlevenden, zoals bewoners, geallieerde en Duitse militairen aan het woord. Ik moest al lezend onwillekeurig denken aan al die plekken op aarde waar zich tot op de dag van vandaag dezelfde gruwelijke taferelen afspelen.

Alsof er nooit iets veranderd is – en er wat dit betreft ook nooit iets écht zal veranderen.

Het is een ondankbare taak om uit het boek van Van Hoof te citeren, want het ene verhaal is nog aangrijpender dan het andere. Ik zocht ook antwoord op de onvermijdelijke vraag: waarom vluchtte maar een klein deel van de bewoners, nadat de geallieerden in pamfletten hun bombardement en de daaruit volgende overstroming hadden aangekondigd? (Om de Duitsers te verjagen wilden zij Walcheren onder water zetten). De bewoners wijzen erop dat de pamfletten niet duidelijk genoeg waren over de exacte locatie, maar er lijkt ook sprake van enige onderschatting.

Zo zegt Pou Lous: „De meeste mensen hadden wel gehoord dat ze moesten evacueren, maar iedereen dacht ‘het zal hier wel niet gebeuren’. Iedereen had in de tuin een schuilplaats, een kuil met een paar plankjes, maar daar had je bij een bombardement niet veel aan.”

Hele gezinnen kwamen in zulke ‘schuilplaatsen’ om. De geallieerden bombardeerden eerst de dijk en toen ook grote delen van het dorp. Kees Lievense: „In een droge sloot zochten we dekking. Wat er toen gebeurde is nauwelijks te beschrijven. Donderende explosies deden de aarde golven. (…) Het was of de wereld verging. Complete daken van huizen door de enorme luchtdruk de lucht in geslingerd. In de korte periode tussen de eerste en tweede golf bommenwerpers zijn we het land in gevlucht.”

Neeltje Roelse schreef in een EHBO-rapport: „Uit de kelder van die molen klonk hulpgeroep. EHBO’ers en andere helpers waadden erheen, tot hun middel in het water. Het gelukte hen twee personen en een baby te bevrijden, de anderen waren reeds gedood of verdronken. Op de molen waren bommen terechtgekomen waardoor deze geheel ingestort was. Daar het water tot boven de kelder stond, kon er verder geen mens meer uitgehaald worden. Later bleek dat er zich nog 44 personen in moesten bevinden.” Allen reddeloos ten onder.

Wijkzuster Tine Traas uit Domburg ving de volgende dag tal van overlevenden op. „De geborgen lijken werden naar Oostkapelle vervoerd waar zij op de begraafplaats in een massagraf werden begraven. Het waren voor mij veelbewogen dagen, doordat ik al die mensen van Westkapelle kende, kwam iedereen op mij af en ik praatte en schreide met allen.”

    • Frits Abrahams