In Noord- Irak zit niemand meer op zijn eigen plek

Het aantal vluchtelingen in Irak is geëxplodeerd. Niemand wil terug naar zijn Arabische buren.

Ontheemden in Irak

In Irak schuift iedereen een plaats op. Dorpen en steden zijn verlaten sinds de aanvallen en slachtingen door IS, geholpen door lokale stammen. De inwoners zijn verspreid over huizen van andere Irakezen, vluchtelingenkampen, bouwlocaties, scholen, parken en moskeeën. Na drie massale vluchtelingenstromen dit jaar zit ieder gaatje vol.

Net buiten de stad Duhok in Iraaks Koerdistan staan de betonnen skeletten van twee flats. Ze hebben al wel vloeren en trappen, geen wanden. Een wankele zelf getimmerde houten trap leidt het hoge fundament op. In de schaduw van de onafgebouwde verdiepingen bivakkeren 74 gezinnen. De flat ernaast zit ook vol. Kinderen bungelen met hun benen over de betonranden.

De meesten kwamen in de golf van de ‘Sinjar crisis’. In de eerste helft van augustus raakten volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in die regio 307.092 mensen ontheemd.

‘Sinjar’ kwam bovenop de ruim een half miljoen ontheemden van de twee maanden daarvoor, mensen die zijn gevlucht nadat de extreme jihadisten Mosul innamen. Vanaf eind vorig jaar tot ongeveer mei liep bovendien de provincie Anbar leeg. Ook het gevolg van het oprukken van IS. Het IOM telde 473.940 vluchtelingen. In Iraaks Koerdistan worden daarnaast ook nog eens Koerden opgevangen uit buurland Syrië, waar al drie jaar een burgeroorlog woedt.

Langs de weg bij de flats stoppen twee witte auto’s van de Verenigde Naties (VN). Karim Elkorany, medewerker van Unicef, klimt de trap op om polshoogte te nemen en de behoeften inventariseren. Om hulp te kunnen sturen, moet de VN eerst weten waar mensen zijn beland. De opvang is extreem versnipperd.

Inmiddels landen dagelijks vluchten met hulpgoederen op de luchthaven in Erbil. Er worden in hoog tempo tentenkampen uit de grond gestampt. De Hoge Commissaris voor de vluchtelingen, António Guterres van UNHCR, noemt de hulpoperatie in Irak „de grootste die we in meer dan een decennium hebben opgezet”. Het is nog bij lange na niet genoeg.

De totale omvang van de vluchtelingenstroom uit Syrië is nog altijd groter, legt Elkorany uit, maar die kwam geleidelijker op gang. Met tienduizenden, in plaats van honderdduizenden tegelijk zoals nu in Irak. „Dit is meer dan waar welke internationale organisatie dan ook tegenop kan.”

Dikra (24) zit op de grond naast een stapel dunne matrassen tussen andere vrouwen en kleine kinderen. Ze doet een oproep om asiel. „We willen weg hier. Voor de winter komt moeten we een plek hebben.” Terug naar huis is geen optie zegt ze. Ze vertrouwt ook de Irakese Koerden niet, omdat die de yezidi’s niet hebben beschermd. Om over haar vroegere Arabische buren nog maar niet te spreken. „Alles is leeggehaald door IS. De auto’s zijn weg, de schapen.”

De mannen voelen de behoefte te laten merken dat ze zelf ook bereid zijn om te vechten. „Als Amerika of de Koerden ons vandaag wapens geven gaan wij zelf om IS te verjagen”, zegt Sheikh Barakat, een man met een baard en een steutel van een Toyota aan de band van zijn broek.

Qasem Omar Murad, een oudere man klinkt kalmer. Zijn zoon is tijdens de vlucht in handen van IS gevallen. Hij is nog in leven, voor zover hij weet. Hij hoopt op een internationale bevrijdingsactie. „De gegijzelden zitten op bepaalde plekken bij elkaar. Niet aan het front. We weten dat het gevaarlijk is, maar ze moeten bevrijd worden.” Hij is somber over terugkeer naar huis. „Zolang er Arabieren in onze omgeving zijn, zullen we geen vrijheid hebben.”

Terwijl internationale organisaties worstelen om de hulp te coördineren, wordt een groot deel gedaan door particulieren. Veel Koerden hebben hun tweede huis aan vluchtelingen ter beschikking gesteld, of nemen mensen in huis. Stammen, families en politieke partijen nemen initiatief en laden kleine vrachtwagens vol met onder meer watertanks, dekens en medicatie, en gaan die zelf brengen.

Siti Ahmed is met haar man, drie dochters en een zoon in het kantoor van de advocatenvereniging in Erbil beland, een klein ommuurd pand met een tuin in het centrum. Er zitten nog vijf andere gezinnen. „Ik ken enkele rijke mensen. We hebben geld ingezameld om ze wat te geven”, zegt Kharaman Emin, die voor de advocatenvereniging werkt. De advocaten vergaderen voor zolang het duurt in de tuin.

Siti Ahmed, witte hoofddoek en een lange gekleurde jurk , krijgt tranen in haar ogen als ze op tv muziek uit haar streek hoort. „Zodra het veilig is gaan we terug. Nu IS nog veel te dichtbij.”

    • Marloes de Koning