Geen ijsberen meer op Jan Mayen

Er broeden nu brandganzen op het eiland Jan Mayen, zagen Nederlandse biologen die het eiland onderzochten.

foto maarten loonen

Poolbioloog Maarten Loonen moet zijn tassen nog uitpakken, maar hij zit de dag na terugkeer van zijn expeditie naar Jan Mayen wel weer in zijn werkkamer op de Rijksuniversiteit Groningen. Voor de 21 wetenschappers die mee waren, gaat het grootste deel van het werk nu beginnen: monsters onderzoeken, tellingen vergelijken, rekenen, schrijven. Maar Loonen onderbreekt dat werk graag even om te vertellen hoe het was om vijf dagen door te brengen op een eilandje in de Noordelijke IJszee waar hij nog nooit geweest was, honderden kilometers van enig vasteland verwijderd, op drieënhalve dag varen van Den Helder. Met een zucht: „Fantástisch.”

De Koninklijke Marine voer de onderzoekers naar Jan Mayen. Er waren mariniers mee voor een koudweertraining. Jan Mayen is een Noors eiland, ongeveer twee keer zo groot als Terschelling. Het werd precies vierhonderd jaar geleden ontdekt door de Amsterdamse walvisvaarder Jan Mayen en was toen ’s zomers al snel een centrum van walvisindustrie. Nu wordt het bewoond door achttien mensen die een weerstation runnen. Grazers zijn er niet. Tot veertig, vijftig jaar geleden kwamen er op het eiland wel ijsberen en poolvossen voor. Maar sinds Jan Mayen ’s winters niet meer over zee-ijs vanaf Groenland bereikbaar is, zijn ze verdwenen. „Je komt nog steeds overal vossenvallen tegen.”

Het noordoostelijke deel van het eiland bestaat uit een 2.300 meter hoge actieve vulkaan, de Beerenberg. De expeditieleden hebben vooral rondgelopen over de zuidwestelijke staart, met toppen tot 900 meter. Een landschap zwart van het vulkanisch gesteente en groen van het mos. „Op sommige plekken ligt een pakket mos waar je vijf of zes centimeter in wegzakt”, vertelt Loonen. „Biologen van Naturalis hebben wel honderd soorten verzameld. En het lava geeft gekke sculpturen van soms wel twee meter hoog – prachtig om te zien, maar moeilijk om over te lopen.”

Daar hebben ook de ganzen last van die Loonen onderzoekt. Een hobbelig landschap met weinig gras, daar houden deze vogels niet van. Toch telde Loonen zo’n zestig brandganzen op Jan Mayen. „En zeker vier broedparen. We hebben echt jonge ganzen gezien, dé grote verrassing. In 1983 was er nog geen een.” Dat is een ijkjaar omdat twee Nederlandse biologiestudenten toen zeventig dagen op Jan Mayen doorbrachten. Sindsdien zijn er slechts af en toe wetenschappers langs geweest, die bijvoorbeeld meegingen als gids op een toeristenschip.

Er waren nog meer verrassingen, vertelt Loonen: „In de Nederlandse walvisbaai was veel kust afgeslagen, maar de archeologen troffen er toch nog vloertjes van de hutten die in de vroege 17de eeuw door walvisvaarders gebouwd zijn.” Die woonden er alleen in de zomer; zeven walvisvaarders die in 1633/34 probeerden te overwinteren, overleefden dat niet. De expeditieleden verplaatsten een gedenksteen uit 1930 naar de goede plek. „Destijds wisten ze nog niet precies waar de graven waren. Nu kun je tussen de stenen zelfs nog menselijke botten zien.”

Verder ontdekten geologen nieuwe breuklijnen: Jan Mayen bestaat in feite uit drie stukken die nog steeds ten opzichte van elkaar verschuiven. En onderzoekers van het zee-instituut NIOZ, die al vanaf de boot vogels en walvisachtigen telden, zagen naast dwergvinvissen ook bruinvissen. „Die zijn daar nog niet eerder waargenomen”, zegt Loonen enthousiast. „En het was bewonderenswaardig hoe die mensen zelfs heel kleine stipjes aan de horizon konden spotten. Nu weet ik zelf voortaan ook waar ik op moet letten.”

Eigenlijk hadden alleen enkele TNO-onderzoekers pech, zegt Loonen. Ze wilden butskoppen tellen, een soort spitssnuitdolfijnen, maar die waren er niet meer. En ze wilden metingen uitlezen van een geluidsboei die in het voorjaar geplaatst was om walvisgeluid op te nemen – maar die was helaas kapotgegaan.

    • Ellen de Bruin