Brevet van onvervalste verliefdheid

Joyce Roodnat

Over: Bert Haanstra; Magic in the Moonlight; Inge Nabuurs & Erwin van Doorn.

Probeer het maar. Denk aan Bert Haanstra, en ‘vroeger’ wordt op slag een vat vol geluk. Bekijk zijn film Alleman (doe nou maar, hij staat op YouTube) – en daar ga je. Lief en snaaks is Nederland. Opgevreeën, verdroomd en in de vorm gelikt door Bert Haanstra. Zo leuk en frisgewassen waren we in 1964 niet. Dat weten we best, maar we zouden het wel willen. En dus wordt zelfs wie toen nog lang niet geboren was, week van nostalgie.

„Nostalgia wipes its tracks”, schrijft essayiste Dubravka Ugresic in haar nieuwe, meesleurende essaybundel Europe in Sepia. Klopt. En terwijl Lady Nostalgie haar sporen uitwist, loopt Haanstra voor haar uit, effent haar pad en fixeert Hollands eigenliefde.

Ja, zegt filmhistoricus Egbert Barten, Haanstra blijft trekken. Vandaar de toeloop naar zijn kleine museum in Noord-Scharwoude, dat hij het Geoffrey Donaldson Institute noemde (naar de pionier-onderzoeker van de Nederlandse zwijgende film, maar dat is een ander verhaal). Al dat volk komt voor Haanstra. Nu niet voor zijn films. Voor zijn schilderijen, waar niemand vanaf wist. Maar Barten wel. Hij laat Haanstra’s doeken zien en wij stomen op naar Noord-Holland.

Verrassing: Bert Haanstra was als schilder nog emotioneler dan als filmer. Vooral het onvervalst verliefde portret van zijn verloofde, uit 1944, treft me. Ze is gekleed in een groot, donker schort en een hooggesloten, langgemouwde blouse. En juist in die totale verhulling suggereert hij met iedere penseelstreek hoe heerlijk hij haar vindt. Want dat gevoel wil hij delen, vandaar dit wulpse schilderij. Dat dus helemaal niet wulps is, maar wel over wulpsheid vertelt.

Ongeveer net zo, maar dan met taal, gaat ook Woody Allen te werk in zijn film Magic in the Moonlight. Colin Firth speelt – op zijn Colin-Firth’s, dus charmant als de grote panda – een illusionist. Deze man van het magische gebaar wordt betoverd door een vrouw (gespeeld door poppekopje Emma Stone) van het magische woord – een medium, ze laat de doden spreken.

Intussen krabt de film aan iets wezenlijks. Hij vertelt over de aarzeling om je echt te laten kennen; over het vluchtgedrag van gereserveerde mensen. Woody Allen suggereert een en al benauwenis in een film die drijft op een stortvloed van elegante volzinnen. Zo raak, amusant, charleston-vlug praat niemand in het echt. Maar wél in de toneelstukken van Oscar Wilde en Bernard Shaw. Allen bedient zich van hun kwikzilver (in de rollen van Firth en Stone klinken zelfs echo’s van professor Higgins en Eliza uit Shaws Pygmalion, alias My Fair Lady). Raar voor een filmer, die overgave aan taal? Sinds zijn vorige film, Blue Jasmine, op basis van het toneelstuk A Streetcar Named Desire experimenteert Allen met de mogelijkheden van het theater: daar kun je pas echt de boel de boel laten wat de werkelijkheid betreft, veel meer dan in de film.

En dan zie ik op Facebook een kleine foto. En dioramaatje van een tropisch huisje, het is van lucifers gemaakt. Het is mooi, het is raadselachtig. Het is deel van een installatie van de Eindhovense kunstenaars Inge Nabuurs en Erwin van Doorn, in de directievilla van een vooroorlogse firma van triplex en sigarenkistjes. Het gaat hier om een „besloten tentoonstelling”, maar op afspraak kan je komen: „We hopen je te ontmoeten in de Picus Villa.”

Dus op naar Eindhoven, waar Nabuurs en Van Doorn me meetronen, hun wereld in. Ze vertellen over hun werk. Tonen hun verbeeldingen van koloniale herinneringen en hun bedrieglijk 17de-eeuws uitgelichte mementofoto’s (wat doet die teddybeer daar?). De geur van het oude hout van de villa inhalerend, luister ik naar hun verhalen.

To boldly go where no man has gone before – daar gaat het om.

M.i.v. volgende week, 6 sept., verschijnt deze column weer elke zaterdag in NRC Lux, p. 4.