‘België is een goede smoes’

Zanger Tom Barman van de Vlaamse band dEUS maakt voor Kunsthal Kade in Amersfoort een tentoonstelling over een eeuw Belgische kunst. „Tegendraadsheid, dat is typisch Belgisch.”

Jane Graverol, L’Afrique Inconnu, 1958, olieverf op doek, 45×54 cm. Collectie Mu.ZEE. Foto Jérôme de Perlinghi/Corbis/HH

Hij heeft er welgeteld 1 minuut en 24 seconden over na moeten denken, zegt Tom Barman, de energieke voorman van de Vlaamse rockband dEUS. Toen hij een jaar geleden de vraag van Kunsthal Kade in Amersfoort kreeg om een tentoonstelling te maken over Belgische kunst, hapte hij vrijwel onmiddellijk toe. „Die anderhalve minuut had ik nodig omdat ik eerst dacht dat ze een mix wilden tussen kunst en muziek, en dat ik dan met dEUS zou moeten komen opdraven. In de jaren negentig was dat soort kruisbestuivingen populair, met festivals als Crossing Border enzo. Maar in die vermenging van kunstvormen heb ik nooit zo geloofd. Toen ik hoorde dat ik gastcurator mocht zijn, heb ik direct ja gezegd.”

Met de tentoonstelling De Vierkantigste Rechthoek wil Kunsthal Kade herdenken dat honderd jaar geleden, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, duizenden Belgen naar het noorden vluchtten. Onder hen ook veel kunstenaars die later beroemd zouden worden, zoals Rik Wouters en Gustave De Smedt. In Amersfoort herinnert het nationale ‘Belgenmonument’ nog altijd aan die vluchtelingen. De tentoonstelling van Tom Barman zal laten zien hoe de Belgische kunst zich in een eeuw tijd heeft ontwikkeld, met werken van grote namen als Léon Spilliaert en Raoul De Keyser maar ook met piepjonge talenten als Nel Aerts en Herman Van Ingelgem.

Dat Kade bij de dEUS-zanger uitkwam, is niet zo verrassend. Barman (1972) verzamelt zelf kunst, is bevriend met diverse kunstenaars en liet veel van de hoezen van dEUS door kunstenaars maken. In zijn speelfilm Any Way The Wind Blows uit 2003, over een zomerse dag in Antwerpen, spelen kunstenaars als Jeff Wall en Wim Delvoye kleine bijrollen. „De muziekscene en de kunstscene zijn hier niet zo gescheiden”, zegt Barman. „Schilders als Luc Tuymans en Michaël Borremans spreek ik in het café. Antwerpen is maar klein, dus je komt elkaar voortdurend tegen.”

Op een terras in de Joodse buurt van Antwerpen vertelt Barman dat hij de liefde voor kunst van huis uit heeft meegekregen. „Mijn ouders zouden zichzelf nooit verzamelaars noemen, maar ze deden het wel. Op initiatief van mijn moeder kochten ze in de jaren vijftig en zestig mooie werkjes, van Tom Wesselmann bijvoorbeeld. We woonden op de Linkeroever in een appartementengebouw, en ook boven ons zaten bonafide verzamelaars. Als ik bij vriendjes thuis ging spelen, zaten we tussen de Césars en de Dubuffets en de Christo’s. Helaas heeft mijn vader veel moeten verkopen toen hij failliet ging.”

De eerste keer dat hij zelf echt geld verdiende, „meer dan nodig was om te eten en te slapen”, kocht hij een kunstwerk: een lichtsculptuur van Daniel Pflumm. Barman: „Dat was op de Armory Show in New York in 2001, mijn eerste beurs. Ik vind kunstbeurzen fantastisch. Laatst nog was ik op Art Brussels, daar is voor 95 procent rommel te koop. Maar ik heb me super geamuseerd. Omdat je juist tussen al die shit kunt scherpstellen op wat goed is.”

Zijn tentoonstelling is geheel intuïtief tot stand gekomen, vertelt Barman, met louter werken die hem persoonlijk raken. „Het is geen thematische tentoonstelling. Ik heb geen zin om een intellectuele smoes te moeten bedenken om kunstenaars bij elkaar te laten zien. België is als smoes al meer dan genoeg. Echt, ik voel me als een kind in een snoepwinkel. Zou je mij dit vragen te doen met muziek, dan heb ik aan een bierviltje en een kwartier genoeg. Maar in de beeldende kunst heeft België zoveel kwaliteit voortgebracht. Vooral op het gebied van de schilderkunst. Dat zit in het volk, in ons bloed.

„Tegen Tuymans heb ik wel eens gezegd dat ik jaloers was dat hij kan werken met zo’n traditie. Toen wij met dEUS begonnen, als Belgische band met Engelstalige muziek, keken we naar Angelsaksische voorbeelden als Tom Waits, Captain Beefheart en Nirvana. Daar moesten we tegenop boksen. Als iemand je op een feestje vraagt wat je doet en je zegt dat je een Belgisch bandje hebt, is er meestal weinig interesse. Maar als je kunt zeggen dat je een Belgische kunstenaar bent, is er meteen respect.”

Mannetje met gitaar

De muziek is hem overkomen, zegt Barman. Film was zijn eerste liefde. Hij studeerde begin jaren negentig aan de Filmacademie in Brussel, maar maakte die niet af. dEUS, opgericht in 1989, haalde de finale van Humo’s Rock Rally en hun eerste album, Worst Case Scenario (1994), werd een hit in de alternatieve muziekscene. „Het was nooit de bedoeling dat ik dat mannetje met de gitaar zou worden. Dat is echt per ongeluk gebeurd, plotseling zaten we op die bus en toerden we de wereld over. Ik herinner me dat ik als jongeling naar de tv keek en daar glamoureuze types als Mick Jagger zag. Mijn eerste reflex was niet: ik wil ook in een bontjas in een privévliegtuig stappen en voor duizenden mensen op het podium staan. Maar ik dacht wel: waar zijn die mensen allemaal geweest? De wereld zien, dat werd mijn drijfveer.”

Hij is een omnivoor als het om kunst gaat. Naast dEUS zit Barman in nog twee bandjes: met het duo Magnus maakt hij elektropop en met het project TaxiWars speelt hij jazz. Hij maakte compilatie-cd’s voor de labels Impuls en Blue Note, hij regisseerde diverse videoclips en presenteerde voor de VPRO een tv-programma over de locaties van beroemde films, Shot on Location. En nu is hij dus bezig met zijn eerste tentoonstelling. „Ik kan nu eenmaal niet goed stilzitten”, lacht Barman. „Ik zou nooit als een kunstenaar dagen alleen in een atelier kunnen werken. Ik heb impulsen van buitenaf nodig. Omdat ik anders het gevoel heb dat ik verwelk. Voor mij ligt alles wat ik doe in het verlengde van elkaar. Ik pik zoveel mee in mijn muziek van wat ik in die ateliers zie. Het is niet dat ik me uit verveling weer op iets nieuws aan het storten ben. Dit is leven voor mij.

„De onpinbaren zijn altijd mijn helden geweest. Veel meer dan de monolithische kunstenaar die zijn hele leven lang één ding perfectioneert. Ik hou van artiesten die ongrijpbaar zijn, zoals Werner Herzog, of Nick Cave, die naast zijn muziek ook boeken en scenario’s schrijft. Ik heb Cave ooit gevraagd waarom hij toch zo’n hoge productiviteit had. Hij antwoordde dat hij daardoor makkelijker met falen om kon gaan. Nu ben ik naar zijn voorbeeld ook veel, veel, veel aan het doen. Het maakt het makkelijker om tegenslagen te verwerken. Zoals wanneer je twee jaar aan een album hebt gewerkt en de reacties lauw zijn. We zijn met dEUS nooit afgebrand, maar lauw vind ik al erg genoeg.”

Die gretigheid, die rusteloosheid, is ook terug te zien in de tentoonstelling in Kade. ‘Tom Barman ziet alle hoeken van een eeuw Belgische kunst’, luidt de ondertitel. Er zitten klassieke topstukken van Jean Brusselmans en Fernand Khnopff in, maar ook werken van kunstenaars die door sommigen als kitsch worden gezien, zoals die van Pol Mara. Barman: „Die heb ik er toch tussen gewurmd omdat het een werk is dat resoneert uit mijn jeugd – zijn werk hing ook bij de buren. Wat is goede smaak, wat is politiek correct? Dat is een van de vragen die ik wil oproepen op deze tentoonstelling.”

Geconstrueerd land

Uitgangspunt van de expositie is De Vierkantigste Rechthoek van Victor Servranckx uit 1924, een monochroom grijs doek dat als een soort nulpunt fungeert. „Het is vooral de titel die mij fascineert”, zegt Barman. „Ik denk dat elke Belg zich wel eens een vierkantige rechthoek voelt. Alsof je niet helemaal past. We zijn een verdeeld en in zekere zin een geconstrueerd land. Wat is typisch Belgisch? Het antwoord ligt, denk ik, in ons eclecticisme en onze tegendraadsheid. Kijk naar de veelzijdigheid van een schilder als Servranckx, die zat bepaald niet stil. En het zit in de humor. De laatste keer dat ik heb gelachen bij een kunstwerk was in Tate Modern, bij een schilderij van Tuymans, een stilleven van een plantje dat hij Niks had genoemd. Dat zelfrelativerende, daar houd ik van.”

Zijn favoriete kunstenaar, en de eerste die hij uitnodigde voor zijn tentoonstelling, is Thierry De Cordier, schilder van gitzwarte zeeën en erotische landschappen. „Zijn werk is moeilijk te krijgen, maar het lijkt te gaan lukken. Ik houd van de donkerte in zijn werk, een zekere donkerte die ook wel in mijn muziek en mijn songteksten zit. Het fascineert mij dat een kunstenaar zulk topwerk kan maken, terwijl hij bij wijze van spreken nauwelijks uit zijn dorp komt.”

Is die somberheid niet ook een typisch kenmerk van Belgische kunst? Kijk naar de modderige schilderijen van Constant Permeke, of de inktzwarte foto’s van Dirk Braeckman. „Inderdaad, dat is wel Vlaams”, beaamt Barman. „Of de schilderijen van Michaël Borremans, die zijn ook niet bepaald vrolijk. Laatst zag ik een grappig interview met Francis Bacon die Mark Rothko afbrandde, met dat typisch Engelse onderhuidse venijn. Bacon had het over de zwaarmoedigheid in Rothko’s schilderijen en vond het geen wonder dat de schilder zich van kant had gemaakt. Ik geloof daar niet in. De daad van het creëren is iets positiefs. Zelfs het beeld De Lijdensvanger van De Cordier, die de last van de hele wereld op zijn schouders lijkt te dragen, geeft mij nog altijd geen donker gevoel. Omdat er zoveel liefde en concentratie in zit.”

    • Sandra Smallenburg