Je strijdt zodat je kunt zeggen: ik ben Koerd

Miran, Nechir, Kamal en Serdar woonden in Nederland. Ze zijn teruggegaan naar Irak, net als waarschijnlijk tienduizend gezinnen die eerder asiel aanvroegen. Want Koerdistan is bijna een land en dat land heeft hen nodig.

Serdar Dosky (boven) en Nechir Herki. Foto’s Mackenzie Knowles-Coursin

Ze heten Miran, Aza of Nechir. Het zijn Koerden. Nederlandse Koerden. Hun ouders of zijzelf vluchtten uit Irak, voor Saddam Hussein. Nu hebben ze een reden om terug te keren. Koerdistan is bijna een land, met een eigen parlement, vlag en taal. En dat land heeft hen nodig.

Miran Nawzad Anwar Betwata (23)

Woonde twaalf jaar in verschillende asielzoekerscentra in Nederland, waaronder Ter Apel.

Ging terug naar Irak in 2011

Het zou kunnen dat Miran Betwata als hij aan het front ligt in Irak, een vroegere vriend uit Nederland in het vizier krijgt van zijn Chinese snipergeweer. Die jongen zit nu bij IS.

„Hij heeft een moeilijke jeugd gehad, zonder moeder”, zegt Miran. Hij wil er niet te veel over kwijt, uit respect voor diens vader.

Maar laat er geen misverstand over bestaan. Als dat gebeurt, haalt hij de trekker gewoon over. „Hij wil mijn volk kapotmaken.”

Miran is opgegroeid in asielzoekerscentra in Nederland. Om onduidelijke redenen kregen zijn twintig (half)broers en zussen wel verblijfsvergunningen en hij niet. Daarom mocht hij niet bij de landmacht, wat hij graag had gewild en waar hij nog steeds van droomt.

In plaats daarvan is hij drie jaar geleden teruggegaan naar Irak, naar de autonome Koerdische regio. Daar vecht hij nu mee tegen de jihadisten van IS.

Zijn broer Aza ook. Die pakte drie weken geleden, toen IS de hoofdstad Erbil gevaarlijk dicht naderde, een vliegtuig vanuit Nederland. Ook hij trok een uniform aan.

Aza en Miran maken deel uit van het leger van hun oom, peshmerga-kolonel en hoofd van de Xoshnaw-stam. Miran Betwata’s voornaamste taak is om zijn oom in leven te houden aan het front. Hij straalt als hij erover praat. „Het is een eer. Ik zit midden in de geschiedenis, dat voel ik.”

Hij is na dertien dagen even met verlof. Dertien dagen waarin hij zijn schoenen alleen uit heeft gehad om sokken om te wisselen, hij heeft twee paar, en waarin hij met zijn scherpschuttersgeweer in zijn handen sliep, gordel met magazijnen om.

Als de enorme blaar op zijn voet wat is genezen gaat hij terug, zegt hij in een restaurant in Erbil tegen vrienden, ook Nederlandse Koerden. „Het was echt wel leuk man.” Ze luisteren gefascineerd.

De Koerdische troepenmacht, de peshmerga, werkt als een harmonica. Er is een kern van beroepsmilitairen. Ze maken formeel deel uit van de Iraakse strijdkrachten, maar in de praktijk niet.

Daarbuiten is vrijwel iedere Koerdische man reservist. Dat geldt ook voor Koerden in het buitenland, waaronder Nederland. Nu hun land wordt bedreigd melden ze zich om te helpen vechten.

Dat is niet formeel geregeld. Dat is wat je als Koerdische man hoort te doen en wilt doen, leggen Koerdische Nederlanders uit. „Je vecht voor wie je bent”, zegt Miran. „Je strijdt zodat je kunt zeggen: ik ben Koerd.”

Nechir Herki (24)

Was drie toen hij naar Nederland kwam. Woonde in Arnhem.

Ging terug naar Irak in 2012

In Nederland wonen ongeveer 52.000 Irakezen, van wie volgens deskundigen ruim driekwart Koerden zijn. De meesten zijn midden jaren negentig gevlucht voor het geweld in Irak onder Saddam Hussein. Zij kregen asiel.

Sinds de Amerikaanse invasie in Irak in 2003 hebben ze iets om naar terug te keren. „Nu draait het erom te behouden wat we hebben”, zegt Nechir Herki.

De afgelopen jaren zijn er veel Koerdische terugkeerders vanuit Nederland. Precieze getallen zijn er niet. De meeste schattingen gaan uit van zo’n tienduizend gezinnen die geheel of gedeeltelijk terug zijn gegaan. Het komt vaak voor dat ouders zijn teruggekeerd, terwijl kinderen bleven om hun opleiding af te maken.

Nechir Herki zat op school met een van de broers van Miran Betwata. Hij was drie toen hij in Nederland kwam en 22 toen hij besloot te verhuizen naar Koerdistan. Vooralsnog heeft hij ervoor gekozen niet te vechten. Maar dat kan morgen anders zijn, benadrukt hij.

Toen IS Erbil bedreigde was net Nechirs broer op bezoek, vanuit Nederland. Die „heethoofd en nationalist” wilde meteen meedoen aan de strijd. „De hele familie praatte op hem in om ervoor te zorgen dat hij dat niet deed en terugging om zijn diploma te halen. Dan staat het een beetje raar als ik zelf vervolgens wel ga”, legt Nechir uit – alsof niet vechten iets is waarvoor je je moet verantwoorden.

Hij heeft wel voor het eerst een wapen aangeschaft. En hij sluit niet uit dat het moment alsnog komt dat hij dat moet gebruiken. „Als het puntje bij paaltje komt wordt iedereen hier peshmerga. Ik heb beelden van vroeger gezien, van oma’s met AK47’s.”

Zijn familie heeft geld gedoneerd en vrachtwagens hulpgoederen naar vluchtelingen gebracht. „Het doet mijn moeder denken aan toen wij zelf moesten vluchten. Al die gezinnen langs de weg met tassen.”

De meeste terugkeerders vanuit Nederland zijn in de optimistische golf van de afgelopen jaren naar Koerdistan gekomen. De economie groeide razendsnel. En met een opleiding in het buitenland heb je een voorsprong op de achterblijvers. Er is geld, doordat er olie onder de grond zit. Overal wordt gebouwd.

Nechir Herki maakte de keuze om naar Koerdistan te gaan „weloverwogen”, vertelt hij achter het stuur van zijn witte SUV. „We zitten in een economische boost. De wetten zijn versoepeld om expats te trekken. Je betaalt vrijwel geen belasting. Je zet hier gemakkelijk een gebouw neer of begint een bedrijf.”

En de mensen zijn warm en gastvrij, voegt hij eraan toe. „En bemoeierig.” Er is veel sociale controle, maar dat stoort hem niet. Hij werkt nu in het familiebedrijf, dat eieren importeert en aan projectontwikkeling doet.

Nechir Herki is niet onder de indruk van het geweld aan de grenzen. „Hoe grof het ook klinkt. Wij Koerden zijn dit gewend. Het is een hoofdstuk in een boek. Ik ben blij dat de buitenwereld ons leert kennen doordat dit gebeurt. We krijgen de kans te laten zien wie we zijn.”

Kamal Rania (47)

Verbleef tussen 1996 en 2010 in Nederland. Woonde eerst in Rotterdam en toen in Arnhem.

Ging terug naar Irak in 2010

De Koerden vechten tegen IS omdat ze het een enge terreurgroep vinden die mensen onthoofdt en vrouwen verkoopt. Maar ze vechten ook nog steeds voor een eigen land en voor internationale erkenning. Vechten tegen IS is een logisch onderdeel van hun eigen strijd.

In het centrum van Erbil zit Kamal Rania in een klein kantoor vol plattegronden aan de muur. Er staan twee grote airco’s en een ijskast.

Kamal Rania draagt traditioneel Koerdische mannenkleding, een wijdzittende broek met een bovenstuk in dezelfde kleur en een sjerp rond zijn buik. Hij vocht vanaf zijn vijftiende als peshmerga.

Op zijn Facebookpagina staan foto’s uit die tijd. Zijn snor was wat groter, zijn haar zwarter, de kleding hetzelfde. Tussen 1996 en 2010 woonde hij in Nederland, eerst in Rotterdam daarna in Arnhem.

Nu verkoopt hij woningen en hypotheken en woont hij met zijn vrouw en drie kinderen in een ruime woning in een gloednieuwe wijk aan de rand van de stad. Bij de poort van het ommuurde huizenblok staat een beveiliger.

Als de peshmerga van zijn politieke partij PUK iets nodig hebben, springt Kamal Rania bij. Gisteravond werd hij gebeld, net toen hij op het punt stond om naar bed te gaan: de peshmerga ‘hadden kogeltjes nodig’. En dus is hij gaan helpen bevoorraden.

Toen tien dagen geleden het vluchtelingenkamp Makhmour werd heroverd op IS kwam Kamal Rania er een half uur na het Amerikaanse bombardement. De ongeveer twintig jihadisten die hij toen zag, lagen ‘in stukjes’. Een ervan had een identiteitsbewijs uit Tsjetsjenië bij zich, vertelt hij. „Het is een internationale partij, ze komen ook uit Duitsland en Nederland.”

Serdar Dosky (40)

Vluchtte in 1995 naar Nederland. Woonde in Amsterdam.

Ging terug naar Irak in 2005

Serdar Dosky kwam negen jaar geleden al terug uit Nederland. Op een stoffig terreintje met een slagboom naast een benzinestation bij de stad Faida leidt hij nu een groep van zo’n veertig gewapende vrijwilligers. Kurdisch Peoples Defence Force, staat op het embleem op hun bovenarm.

De vrijwilligers zijn voortdurend standby en doen alles waar de peshmerga aan het front nu niet aan toekomen. Ze gaan eropaf als er ergens jihadisten zijn gesignaleerd. Ze hebben wapens naar yezidi’s gebracht, zodat die zich beter kunnen verdedigen. Als dat nodig is voeren ze gewonden af en munitie aan. „We staan klaar, ook om te vechten”, zegt Serdar Dosky.

Hij keerde in 2005 na tien jaar in Nederland (Amsterdam) terug naar Irak en zette een instituut op dat onder meer debattrainingen verzorgt en onderzoek doet naar politieke onderwerpen. In Nederland was hij actief binnen de SP en wilde hij helpen bij het opbouwen van een democratie, vertelt hij in het kantoortje waar hij sinds twee maanden ook slaapt, op een stretcher naast zijn bureau. Ondergeschikten in camouflagepak halen sigaretten voor hem en brengen tulpvormige glaasjes thee. Aan de muur hangt een geweer. „Irak was bevrijd. Ik had zeven jaar politieke ervaring. Dat wilde ik overbrengen in een tijd dat ze het nodig hadden. Niet twintig jaar later als alle instellingen al zijn opgebouwd.”

Drie maanden terug was het leven hier „een paradijs”, zegt Serdar Dosky. „Niet voor de democratie, maar wel veilig en rijk. Alle kansen.”

Dat veranderde toen IS de stad Mosul innam en aan de grenzen van Koerdistan stond. Serdar Dosky verruilde zijn pak voor een uniform.

Hij ontwijkt de vraag of hij al heeft moeten doden. Je weet maar nooit met de Nederlandse justitie en het intrekken van paspoorten. Hirsi Ali was eerst ook een heldin en vervolgens moest ze weg, brengt hij in herinnering. „Als ik in Nederland ben en het wordt oorlog, dan kijk ik ook niet wat er in de wet staat. Dan doe ik wat nodig is.”

    • Marloes de Koning