Voor beter onderwijs zijn betere bestuurders nodig

Alleen met meer bestuurlijke aandacht voor het onderwijs houden we de universiteiten op peil, zegt Anne Flierman. Het peil dat studenten mogen verwachten van hun opleiding.

illustratie jenna arts

Binnenkort start een nieuw academisch jaar en beginnen bijna 65.000 studenten aan hun opleiding in het wetenschappelijk onderwijs. Ze doen dat veelal met hooggespannen verwachtingen, want ze beginnen aan een nieuwe, belangrijke fase in hun leven. Als studenten via een leenstelsel meer moeten bijdragen aan de kosten van hun studie, is dat reden temeer om de studietijd ook als een serieuze investering te zien, waar je als student dan ook iets van mag verwachten.

De Nederlandse universiteiten staan uitstekend aangeschreven en dus lijkt het er op dat de aankomende studenten op de goede plaats investeren. Maar die reputatie is vooral gebaseerd op de uitstekende prestaties in wetenschappelijk onderzoek; die bepalen de hoge plaats van Nederland op internationale lijstjes, waar we terecht trots op kunnen zijn.

Ook veel opleidingen aan Nederlandse universiteiten staan er goed voor. Maar hier is wel reden om alert te zijn. In juni meldde de NVAO op basis van rapportages van onafhankelijke deskundigen dat in de geesteswetenschappen een opmerkelijk groot aantal opleidingen onder de maat is.

Er zijn problemen met het eindniveau van de studenten en er schort het nodige aan opbouw, diepgang en academisch gehalte. De geïnteresseerde student kan ook in kritisch beoordeelde opleidingen tot uitstekende prestaties komen, maar te veel studenten gaan betrekkelijk gemakkelijk door het programma. „Sommige scripties ontstijgen het niveau van de middelbare school niet”, aldus een van de visitatiecommissies.

Achter deze tekortkomingen gaan dieper liggende problemen schuil. Het klassieke onderwijsideaal van de universiteit is gebaseerd op de gedachte dat de wetenschapper als meester zijn geïnteresseerde leerlingen inwijdt in het vakgebied.

Op dat ideaal is de veelgehoorde maar onbewezen stelling gebaseerd dat de beste onderzoekers de beste docenten zijn.

Natuurlijk kan een bevlogen onderzoeker geïnteresseerde studenten voor zijn vakgebied enthousiasmeren, maar dat is iets anders dan een meerjarig, goed onderwijsprogramma opzetten en verzorgen voor een grote groep studenten. Het traditionele onderwijsideaal is in veel opleidingen niet meer haalbaar. Een goede opbouw, een weloverwogen didactisch concept en voldoende goed opgeleide docenten zijn noodzakelijk. Zo kunnen alle studenten ook de soms lastige basisvakken en academische vaardigheden onder de knie krijgen.

Universiteiten verzorgen van oudsher twee kerntaken: onderwijs en onderzoek. In onderzoek zijn we goed, het bepaalt de reputatie van de universiteit en de reputatie en carrièremogelijkheden van wetenschappers. Ook de overheid benadrukt regelmatig het belang van hoogwaardig en liefst voor de economie relevant onderzoek. De bestuurlijke aandacht op veel universiteiten, zowel bij de colleges van bestuur als de faculteiten, gaat dan ook in de eerste plaats uit naar onderzoek. Bij bètafaculteiten, met veel staf en relatief weinig studenten, gaat deze inzet in veel gevallen niet ten koste van het onderwijs.

Maar ook disciplines die traditioneel primair het opleiden als taak hebben, richten zich steeds meer op onderzoek; wie op dat gebied niet ‘scoort’, telt niet meer mee aan de universiteit en kan wel wegbezuinigd worden. Hier dreigt hier het onderwijs wel het kind van de rekening te worden.

De rapportage van de NVAO is in dat opzicht een wake-up call; we mogen niet uitsluiten dat meer vakgebieden grote moeite hebben om zowel op het gebied van onderwijs als onderzoek aan de verwachtingen te voldoen.

De afgelopen jaren hebben universiteiten ernaar gestreefd studievertraging en uitval tegen te gaan. De bevindingen van de NVAO leren dat een forse inspanning nodig is om niet alleen het rendement, maar ook de kwaliteit van het onderwijs aan de universiteiten in de volle breedte op het gewenste hoge peil te brengen en te houden.

Dat is een opgave voor degenen die het onderwijs verzorgen en ontwikkelen. Maar het is vooral en in de eerste plaats een opgave voor het management, de bestuurders en toezichthouders van de universiteiten: dan gaat het bijvoorbeeld om de ontwikkeling van docenten en het ondersteunen van verbeteringen in het onderwijs. Alleen met forse verruiming van bestuurlijke aandacht van de universiteit voor onderwijs krijgen we dat op peil. Dat past bij een land dat zich tot de topvijf van kenniseconomieën wil rekenen; het peil dat studenten mogen verwachten als ze zelf meer in hun studie moeten investeren.

    • Anne Flierman