Obama zoekt ‘derde weg’ tussen ingrijpen en afwachten

De interventies van George W. Bush én het afwachten van Obama droegen bij aan de opmars van IS in Syrië en Irak. Wat kan Obama nu nog doen?

Foto's AFP/ANP

Eerst waren er de Amerikaanse luchtaanvallen in Irak, die een genocide moesten voorkomen op de yezidi’s. En nu voert Amerika ook verkenningsvluchten uit boven Syrië, met drones en spionagevliegtuigen. Dit weekend gaf Obama toestemming voor deze vluchten, bleek gisteren.

Wat gaat Amerika doen? Bij ieder conflict is dat nog altijd wat de wereld wil weten. En met Oekraïne, Irak, Syrië, Gaza, Libië heeft vermoedelijk geen Amerikaanse president zoveel internationale crises tegelijk op zijn bord gehad als Barack Obama in deze zomer.

Obama was altijd behoedzaam. Hij wil, zei hij in mei nog, „de wereld zien zoals zij is”, in plaats van haar te willen veranderen. Maar de stemming in Amerika verandert: Amerikanen willen meer actie tegen IS, en vooral: meer leiderschap van hun president.

Tot voor kort oogstte Obama lof in eigen land met zijn buitenlandse politiek. De Verenigde Staten hadden na de Bush-jaren de buik vol van interventiepolitiek. Om die reden aarzelde Obama lange tijd om in te grijpen bij de opkomst van de Islamitische Staat (IS, voorheen ISIS) in Syrië en Irak.

Deze maand veranderde dat, met de luchtaanvallen op IS in Irak en nu de verkenningsvluchten boven Syrië. Maar van een echte interventie, met aanvallen op strategische IS-doelen, of het sturen van grondtroepen, wil Obama niet weten. Zijn stafchef van het leger, generaal Martin Dempsey, zegt dat IS alleen verzwakt kan worden als het ook in Syrië aangevallen wordt. Dat wil Obama niet, mede omdat hij daarmee indirect president Bashar al-Assad zou helpen. Tegen Assad overwoog hij een jaar geleden nog luchtaanvallen.

Minister Chuck Hagel van Defensie nam een paar dagen geleden een voorschot op meer Amerikaanse betrokkenheid in Irak, en mogelijk ook in Syrië. Hij noemde de Islamitische Staat „een acute bedreiging” voor Amerika’s belangen.

Die zorgvuldig gekozen woorden verwezen naar een toespraak die Obama in mei hield op West Point. Daar zei de president dat hij alleen wilde ingrijpen bij grote humanitaire drama’s, en als Amerikaanse belangen op het spel stonden. Hagel leek Obama te herinneren aan die belofte.

In januari hanteerde Obama voor IS nog een basketbalvergelijking: „Als een jeugdteam shirts van de LA Lakers aantrekt, zijn ze nog niet meteen Kobe Bryant.” Inmiddels heet IS „een kanker” die moet worden „verwijderd”.

Maar hoe? Obama wil geen vuile handen in het Midden-Oosten maken, zoals zijn voorganger, George W. Bush, dat deed. Bush geloofde in Amerikaans militair ingrijpen om de wereld naar eigen inzicht te verbeteren. Die visie ging onderuit in de chaos van Irak na 2003. Het was die chaos die de weg vrijmaakte voor radicaal-islamitische groepen.

Obama brak met Bush’ politiek en koos voor een zachtere aanpak: meer samenwerking met bondgenoten, een betere verstandhouding met de Arabische wereld, en bovenal het besef dat Amerika de wereld niet met militaire macht haar wil kan opleggen. Toch heeft ook zijn non-interventiepolitiek de crisis verdiept. Obama trok zijn troepen eind 2011 terug uit Irak – enigszins overhaast, omdat hij het niet met de Iraakse regering eens werd over immuniteit van soldaten.

Hij liet gebeuren dat de Iraakse premier Nour al-Maliki – in het zadel geholpen door de Amerikanen – een sektarische verdeel-en-heers-strategie kon voeren. Obama stond bovendien de opkomst toe van IS in Irak en Syrië. Vaak speelde hij met de gedachte ‘gematigde’ rebellen in Syrïë met wapens te steunen, of om luchtaanvallen uit te voeren op het Syrische leger. Gematigde rebellen zijn wel gesteund, maar alleen met lichte wapens.

Vorig jaar profiteerde IS in Oost-Syrië van het machtsvacuüm, en veroverde de beweging grote gebieden. Daarop volgde het westen van Irak, waaronder de grote stad Mosul. „Syrië en Irak implodeerden niet door te veel, maar door te weinig interventie”, schreef de prominente analist Shadi Hamid van de progressieve denktank Brookings onlangs.

Twee visies hebben gefaald, die van Bush en die van Obama’s eerste termijn. De president moet nu een derde weg vinden, zeker nu de stemming in eigen land omslaat. De moord op de journalist James Foley is hard aangekomen in de VS. Dat stimuleert de actiebereidheid.

Invloedrijke stemmen in Washington vinden dat Obama zich te afzijdig houdt. Columnist Roger Cohen van The New York Times schreef afgelopen week dat Amerikanen, optimistisch van nature, weer een leider willen die vooroploopt bij wereldcrises. Het trauma van Irak en Afghanistan wordt langzaam vergeten. „Amerika’s bereidheid om de wereld te stabiliseren met militaire macht daalt. Daarom is de wereld gevaarlijker dan ze in lange tijd geweest is.”

    • Guus Valk