Met gevaar voor eigen leven

De dood van journalist James Foley roept vragen op: is het werk van verslaggevers in conflictgebieden de laatste jaren gevaarlijker geworden? Ja, is het antwoord. „Journalisten zijn een prettige bijvangst voor gijzelnemers.”

Brieven aan geliefden namen de jihadistische strijders van IS zonder meer in beslag. De Amerikaanse journalist James Foley, sinds 2012 gegijzeld in Syrië en vorige week onthoofd, liet daarom een medegevangene die op het punt stond vrij te komen, een brief volledig uit z’n hoofd leren. De tekst werd gisteren vrijgegeven. „Ik bid dat jullie sterk blijven en blijven geloven”, aldus Foley. „Ik geloof werkelijk dat ik jullie kan aanraken in deze duisternis als ik bid.”

De brief toont volgens mensen die hem kennen de echte James Foley: warm en betrokken. Niet de gijzelaar die de kant van zijn bewakers heeft gekozen, zoals in de video van zijn executie het geval lijkt. Foley zou tot op het laatst hebben gehoopt dat hij zo aan de dood kon ontsnappen. Maar IS onthoofdde de Amerikaanse freelance journalist op brute wijze en plaatste de film Message to America op het web. De wereld reageerde vol afschuw.

Foley is een van de minstens tien journalisten die dit jaar in Syrië om het leven zijn gekomen, volgens de Franse organisatie Reporters Sans Frontières (RSF). Dat is bijna een kwart van de 44 journalisten die dit jaar wereldwijd zijn gedood. Zeker veertien werkten (ook) voor de televisie; minstens vier waren fotojournalist. In 2002, het eerste jaar dat RSF systematisch het aantal vermoorde journalisten bijhield, stierven er 25. In 2007 waren het er 87.

Het Amerikaanse Committee to Protect Journalists (CPJ) komt tot zes doden in Syrië dit jaar en 32 wereldwijd. RSF en CPJ bepalen het aantal op iets andere wijze; zo tellen ze een slachtoffer alleen als zij zelf de dood en de toedracht bevestigd hebben gekregen. RSF telt alleen journalisten die tijdens hun werk zijn overleden. Dat laat ruimte voor interpretatieverschillen.

„Syrië is nu het gevaarlijkste land om journalist te zijn”, zegt Courtney Radsch van het CPJ telefonisch vanuit New York. „Wij hebben nog nooit zoveel ontvoeringen geteld. Sinds 2012 zijn daar tachtig collega’s ontvoerd. Op dit moment zitten nog minstens twintig mensen vast.” Onder hen is de Amerikaan Steven Sotloff, van wie IS in de video zegt dat hem hetzelfde lot wacht als Foley.

Het werk van journalisten in conflictgebieden is gevaarlijker geworden, zeggen mediaorganisaties. Hoewel het aantal dodelijke slachtoffers niet hoger ligt dan enkele jaren geleden, maken ontvoeringen en andere acties het werk risicovoller. „Journalisten worden steeds meer beschouwd als doelwit”, zegt Thomas Bruning van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ). „Er zijn steeds meer conflicthaarden waar geen enkel respect is voor journalisten. Ze zijn een prettige vangst voor gijzelnemers. Een journalist is veel waard.” Niet alleen letterlijk, in termen van losgeld, maar ook in de propagandaoorlog, steeds meer gevoerd via sociale media. Gijzelnemers hoeven bijvoorbeeld niet meer een video van een ontvoerde achter te laten bij een lokaal tv-station, maar houden zelf de regie via YouTube. Snel geplaatst, voor iedereen te zien.

Volgens Courtney Radsch (CPJ) is dit jaar driekwart van het aantal gestorven journalisten gedood in vuurgevechten of bomaanslagen. In zeker 12 procent was sprake van een bewuste moord. „De journalist wordt steeds meer gezien als spion. En die mag je straffen volgens de sharia, stelden extremisten op een jihadistische website.”

Freelancers zijn het meest kwetsbaar, zegt Bruning (NVJ). „Die worden door financiële afwegingen gedwongen net iets scherpere keuzes te maken.” Journalist Peter ter Velde gaf vorige week in Nieuwsuur een voorbeeld. „Stel: je tolk laat drie dagen op zich wachten. Iemand in vaste dienst kan zeggen: ik wacht drie dagen. Een freelancer heeft dan geen inkomen en is eerder geneigd met een andere tolk op pad te gaan. Die hij niet helemaal heeft gecheckt.” Ter Velde: „Bijna alle ontvoeringen komen van binnenuit – van de tolk, de chauffeur, iemand in je hotel.”

Radsch (CPJ) bevestigt dat freelancers een groter risico zijn gaan lopen. In 1992 werkte volgens het comité 17 procent van de slachtoffers freelance, vorig jaar 30 procent. In Syrië was bijna de helft (46 procent) niet in vaste dienst. „De economische omstandigheden in de media zijn gewijzigd. Er zijn collega’s die meer risico willen nemen om sneller naam te maken.”

Zowel Radsch als Bruning bevestigt dat cameramensen en persfotografen meer gevaar lopen. Zij moeten een extra stap zetten, soms uit de dekking komen, om de beste beelden te schieten. Zeker in een tijd waarin (bewegend) beeld steeds belangrijker is in de media; consumenten zijn meer visueel georiënteerd. De meeste slachtoffers in Syrië – binnenlandse én buitenlandse journalisten – werkten voor de tv.

Wat kunnen journalisten, bedrijven en regeringen doen om de veiligheid te verbeteren? „Zorg dat je heel goed bent voorbereid”, zegt Radsch. „Neem de juiste apparatuur mee, ken het gebied, leer eerste hulp. Dat geldt voor alle journalisten die verslag doen van conflicten. In Syrië, in Irak, maar ook hier in de VS in Ferguson.”

De NVJ breidt haar training ‘verslaggeving in conflictgebieden’ uit, vertelt Bruning. „Vroeger ging die met name over hoe je je moet gedragen als je bijvoorbeeld in een gevechtssituatie terecht komt. Tegenwoordig is er ook veel aandacht voor het voorkomen van ontvoeringen. En hoe je moet overleven als je bent ontvoerd.”

Het CPJ is tegen het betalen van losgeld voor journalisten; de Amerikaanse regering heeft hetzelfde standpunt. Enkele Europese landen zouden wel losgeld betalen voor mediamensen, hoewel dat officieel wordt ontkend. Radsch: „Betalen kan leiden tot nieuwe ontvoeringen.”

    • Jan Benjamin
    • Sterre van der Hee