Opinie

    • Frits Abrahams

Goudschat

Geluk dwing je niet af, zoals tegenwoordig zo vaak wordt beweerd, geluk overkomt je – ja, zoals vroeger altijd werd beweerd. Net als ongeluk trouwens. Wie me niet gelooft moet me even vergezellen op het fietstochtje naar Veere tijdens mijn vakantie op Walcheren.

Om een of andere onnaspeurlijke reden wil ik altijd naar Veere als ik in de buurt ben. Het is een mooi, onvergankelijk plaatsje, maar je bent er gauw uitgekeken tenzij je graag naar horden rondslenterende toeristen kijkt. Daarvoor bestaat in Veere een uitstekend terras, dat van d’Ouwe Werf, dat uitzicht biedt op de jachthaven.

Op weg naar Veere kwamen we door een gehucht dat mij als automobilist vroeger nooit was opgevallen: Gapinge. We stapten bij de fraaie hervormde kerk af voor een korte verpozing. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om het knusse kerkhofje naast de kerk te bezoeken. Daar stonden maar 26 zerken, de laatste dateerde van 6 september 1943. Maakte Gapinge daarom zo’n uitgestorven indruk? Het was me vaker opgevallen dat je in zulke Zeeuwse dorpen weinig mensen op straat ziet, maar zo verlaten als Gapinge had ik het nog niet eerder meegemaakt.

Ook op de terugweg moesten we door Gapinge en wéér was er geen hond te bekennen. Hoe zou het zijn om hier je leven door te brengen? Zou je op den duur vooral binnenblijven omdat er buiten toch niks te beleven viel? Op de fiets heb je tijd voor zulke existentiële vragen, tenzij het hard waait, wat in Zeeland nogal eens het geval is. Ik was er nog niet uit toen Serooskerke in het vizier kwam. Serooskerke!

Ik voelde opeens een niet te onderdrukken verlangen naar Serooskerke. Als het een persoon was aan wie je werd voorgesteld, zou je zeggen: „Uw naam was mij bekend, maar ik had geen idee hoe u eruit zou zien.” Nieuwsgierig – ik wat meer dan mijn vrouw („Wat heb je toch met Serooskerke?”) – reden we het dorp binnen. Om verwarring te voorkomen: er zijn in Zeeland twee Serooskerken, een op Schouwen-Duiveland en een op Walcheren. De postbezorgers én de postontvangers zullen er soms radeloos van worden. Persoonlijk zou ik als Schepper, afgaande op de Walcherse uitgave, één Serooskerke voldoende hebben gevonden. Er staat een kerk en er liggen wat straten – veel meer valt er op het eerste gezicht niet te zien.

Dichtbij die kerk is een plaquette bevestigd met de namen van soldaten uit deze buurt die in 1947 in Nederlands-Indië zijn gesneuveld. Een van hen was J. Joziasse uit Gapinge. Hij was 21 jaar toen hij stierf op dat verre, zinloze slagveld. Wat had hij van de wereld gezien toen hij daarheen moest? Alleen Gapinge? Misschien zou hij er het liefst zijn hele leven zijn gebleven.

Toch kun je ook in Serooskerke domweg geluk hebben. Op een andere plaquette, in de Torenstraat bij Drukkerij Van Keulen, staat te lezen hoe op die plek in 1965 bij het planten van prei ruim 1.000 gouden munten ter waarde van 293.000 euro gevonden werden, wellicht in 1622 verstopt door een uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige vluchteling.

De vondst is de geschiedenis ingegaan als ‘de goudschat van Serooskerke’. De eerste vinder was de minderjarige boerenknecht Adrie van den Broecke, die de opbrengst moest delen met de gemeente en twee andere vinders. Een delegatie uit Serooskerke schonk prinses Beatrix en haar verloofde Claus enkele munten. „U hebt ons hiermee schandalig verwend”, zei de prinses.

    • Frits Abrahams