Geen Koning van God maar wel van alle Nederlanders

Koning Willem-Alexander, van huis uit Nederlands-hervormd – hij werd gedoopt toen hij een ruim een half jaar oud was – getuigt in het openbaar weinig van zijn geloof. Tot teleurstelling van de Protestantse Kerk in Nederland, zo blijkt uit een artikel vandaag in deze krant. De PKN , waarin tien jaar geleden de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk zich verenigden, hoopt dat de koning God in zijn openbare toespraken alsnog zal laten verschijnen. Dat hij het voorbeeld volgt van zijn moeder Beatrix, die God regelmatig vermeldde in haar redes.

Godsdienstvrijheid, vastgelegd in de Grondwet, is een groot goed, evenals de vrijheid om niet te geloven. Nederland kent een verstandig geregelde scheiding van kerk en staat: alle godsdiensten worden gelijk behandeld, geen wordt bevoordeeld. Gelukkig kent Nederland geen staatsgodsdienst, anders dan bijvoorbeeld Engeland, Denemarken of Argentinië, het land waar Máxima, de rooms-katholieke koningin van Nederland, is geboren.

Godsdienst is een particuliere aangelegenheid. Het gaat de burgers niet aan of en in hoeverre Willem-Alexander belijdend lid is van een kerk; hetzelfde geldt voor zijn echtgenote en hun kinderen.

In de jaren zestig ontstond in Nederland een bizarre commotie omdat Irene, de tweede dochter van toenmalig koningin Juliana, rooms-katholiek werd. Kon zij nog wel in aanmerking komen voor het koningschap? De protestantse partijen vonden van niet, maar formeel konden zij deze vraag in een Kamerdebat vermijden, ook desgevraagd, omdat de politieke activiteiten van Irenes echtgenoot haar om die reden al ongeschikt maakten voor het koningschap.

De Grondwet bepaalt dat de nazaten van koning Willem I het koningschap vervullen, maar dezelfde vorst kreeg niet zijn zin om de hervormde leer tot staatsgodsdienst te verankeren. Het erfelijk koningschap maakt van het staatshoofd een boven de partijen staande figuur, wiens neutraliteit ook in godsdienstige zaken dus juist essentieel is. Het doet archaïsch aan dat Willem-Alexander officieel „bij de gratie Gods” regeert, dat deze tekst voorkomt in voorstellen aan het parlement en dat een koninklijke boodschap „in Godes heilige bescherming” wordt aangeboden. Formuleringen die slechts in stand blijven omdat het een traditie is en de grote niet-confessionele meerderheid er (nog) geen punt van wil maken.

Maar het is wel van wezenlijke betekenis dat Willem-Alexander Koning en staatshoofd is van alle Nederlanders, van wie de meerderheid wel in gebod, maar niet in God gelooft. Of juist in een andere god. De publiekelijke terughoudendheid van Willem-Alexander in religieuze aangelegenheid is te prijzen en valt aan te bevelen.