Angst houdt je scherp

Moeten we niet, voordat we met bommen gooien, weten wie die enthousiaste strijders van de Islamitische Staat eigenlijk zijn? Hoe Talibaanstrijders zelf onder woorden brengen waarvoor ze vechten? Om die vragen te beantwoorden zijn journalisten nodig van het kaliber van James (‘Jim’) Foley, die bereid zijn af te reizen naar de gevaarlijkste plekken op aarde.

Ik ontmoette Jim in juni 2012, toen we ons vanuit het Turks-Syrische grensgebied inzetten voor de bevrijding van de Britse fotograaf John Cantlie en de Nederlandse fotojournalist Jeroen Oerlemans. Ik (destijds 41) was na twaalf jaar oorlogsjournalistiek vader van twee dochtertjes en had besloten het rustiger aan te doen. Jim (toen 38) niet. Hij was, net als ik vroeger, bereid zijn leven te wagen om mensen (burgers én strijders) in oorlogsgebieden een gezicht te geven. We waren beiden opgeleid als historicus en hadden geleerd om met afstand naar gebeurtenissen te kijken. We werden verslaggevers omdat we die afstand wilden opheffen. Geschiedenis schrijven met een vergrootglas.

Sinds de propagandamoord op Jim krijg ik veel vragen over oorlogsjournalistiek. Waaronder deze vier:

1 Is het te gevaarlijk om nog verslag te doen van oorlogen?

Nee. We zien tegenwoordig twee typen (onconventionele) oorlogen. Een strijd zoals eerder in Georgië en nu in Oekraïne, die gelijkenis vertoont met de oorlogen in het voormalige Joegoslavië. En, sinds eind 2001, jihads zoals in Afghanistan, Pakistan, Syrië en Irak. De oorlogen in Gaza en Libië zijn daarvan een mengvorm. Met die drie vormen van oorlogsvoering hebben we ruime ervaring. Vooral bij jihads zijn de risico’s voor westerse journalisten groot. Er is meer mogelijk dan je denkt: de Brit David Lloyn reisde in Afghanistan mee met een Talibaan-eenheid. En Vice News publiceerde een vijfdelige videoserie van een Britse journalist van Palestijnse afkomst (Medyan Dairieh) die de Islamitische Staat van binnenuit toonde.

2 Loopt het niet de spuigaten uit met al die jonge, onervaren freelancers die naar oorlogen trekken?

Freelancers als Jim, die zich met hun tv-camera in de frontlinies begeven, worden al te vaak beschouwd als cowboys die werken voor de kick. Een oneerlijke en onjuiste voorstelling van zaken. Jim bracht dat stevig onder woorden in een interview met de BBC. Hij legde uit dat de grote networks frontbeelden willen en alleen werken met minder dure freelancers. „Daarom nemen wij de grootste risico’s. Het is ons werk. Voor mij is de mensenrechtenkant het belangrijkste, niet het geweld.” Aangezien er nauwelijks opleidingen zijn voor oorlogsjournalistiek, privécursussen vaak peperduur zijn en de goedkope ondermaats, is er maar één manier om het vak te leren: alle handboeken lezen en gáán.

3 Ben je wel eens bang?

Jazeker. Vooral vóór vertrek en bij terugkomst. Tijdens mijn verblijf in lastig gebied, laat ik angst slechts toe als waarschuwingsmechanisme. Angst houdt je scherp, maar paniek vertroebelt je beoordelingsvermogen – dat heb je absoluut nodig om uit een netelige situatie te komen. Helaas keert onderdrukte angst vaak later terug. ’s Nachts. Op vakantie. Op de bank voor de buis. Voor veel geroutineerde fotografen en verslaggevers – ook voor mij – begint de oorlog die je écht raakt pas thuis.

4 Wat voor mens moet je zijn om oorlogsverslaggever te worden?

Er is geen blauwdruk te geven. Ik ken rustige types, Jim was er ook zo een. En druktemakers, zoals een bevriende Italiaanse fotograaf die ik in 1998 in Kosovo leerde kennen en sindsdien bozer en nerveuzer is geworden. Oorlogsjournalisten die ik ken hebben één ding gemeen: bevlogenheid. Ze willen laten zien, horen, voelen en ruiken hoe afschuwelijk oorlog is. Een taak die je niet kunt toevertrouwen aan politici die militairen naar het front sturen en opdracht geven tot luchtbombardementen.

    • Joeri Boom