Wat gokken en blowen met elkaar delen

Hoe zou Nederland eruitzien als de wietbranche ieder jaar 580 miljoen euro aan cultuur, sport en ontwikkelingshulp zou schenken? Gokken en blowen zijn vergelijkbare menselijke zwakheden. Zowel aan de coffeeshop als aan het casino kun je geld verkwisten en verslaafd raken. Beide vervullen de behoefte aan dromen, aan escape. Tot de volgende jackpot of kanjer uiteraard, dan wel het volgende stickie. Maar alleen het loterijwezen heeft zijn plaats in de bovenwereld gekocht met een enorme zak geld.

Casino’s zijn een monopolie, online kansspelen en internetloterijen zijn verboden, goede doelenloterijen zijn beschermd. Net als in de wietbranche staat dit regelcomplex op knappen door open grenzen en internet. Blowen en gokken zijn politiek al lang geen moreel thema meer. De overheid beperkt zich tot kanaliseren: de schade managen en verder zoveel mogelijk mee profiteren. Politiek gezien is gokken entertainment. Europese harmonisatie bestaat hier nauwelijks. Met als gevolg dat inmiddels 750.000 Nederlanders illegaal gokken via internet, ondanks het verbod. Aan de legale kansspelen doen er 8,7 miljoen mee. Cannabisgebruik is kleiner, maar ook wijdverbreid. Een kwart van de bevolking zegt ‘ooit’ te hebben gebruikt. Een half miljoen landgenoten blowt regelmatig. Verkopen en consumeren zijn gereguleerd en sociaal aanvaard. Maar telen is een misdrijf en dus verboden. Melk drinken mag, maar koeien houden niet, kort samengevat. Die norm wordt inmiddels breed als onhoudbaar gezien, maar politiek verdedigd.

Bij gokken is de kramp niet zo groot, maar het besef dat je als overheid niet én kunt verbieden (online) én profiteren (casino’s) én stimuleren (loterijen) én buitenlandse bedrijven buiten de deur kunt houden is wel doorgedrongen. Al was het maar omdat het EU-recht verplicht tot gelijke behandeling van Europese aanbieders, beperkingen alleen toestaat als ze doeltreffend, samenhangend en vooral ook evenwichtig zijn. Dus gelijk gelden voor gokautomaten, casino’s, loterijen en online kaartspelen. Dat heeft het kabinet met een wetsvoorstel geprobeerd – en daarin heeft het gefaald. Althans volgens de Raad van State die een zeldzaam hard afwijzend advies gaf. Het voorstel komt neer op een vergunningenstelsel voor online aanbieders, verwatering van het casinomonopolie en steun voor de nationale goededoelenloterijen. De kritiek luidt: onuitvoerbaar, erger dan de kwaal en strijdig met EU-recht.

Wat mij vooral trof is dat het kabinet het falen van het gokbeleid erkent, met een eerlijkheid die in het cannabisbeleid ontbreekt. Rechtspolitiek is deze koerswijziging een zeldzaam gevalletje voortschrijdend inzicht. Volledige handhaving van een verbod op online gokken ‘is niet mogelijk’, erkent het kabinet. Het aanbod zal dankzij nieuwe technologie ook nog groeien. Dus ontkomen we niet aan het organiseren van een veilige en verantwoorde omgeving, met een hoog beschermingsniveau. Keurige redenering, waar de cannabissector ook om schreeuwt.

Nu kan ik het ‘nee’ van de Raad van State niet lezen zonder dat ik het streng-ironische gezicht van vicepresident Donner voor me zie. Als minister verdedigde hij het staatsmonopolie tegen buitenlandse concurrenten. Toen gokken nog gewoon een zonde was, die maar beter in Holland Casino kon plaatsvinden. Waarom de staat dan ook geen Holland Bordeel en Holland Wietshop exploiteerde, is mij altijd ontgaan. Maar dat zal wel met die 580 miljoen te maken hebben. De argumenten van de Raad zijn uitstekend. Alleen jammer dat we zo weer op de cannabisroute uitkomen. Beter een hybride verbod, dat (ook) nauwelijks is te handhaven, dan het consolideren van de hele goksector, in de hoop dat er een nieuw evenwicht komt.

    • Folkert Jensma