Voor groei moet je bij kleine ondernemers zijn

Maak arbeid goedkoper en zorg dat de koopkracht stijgt. Je zult zien dat er veel banen bijkomen, denkt Hans Biesheuvel.

Volgens cijfers van het CBS groeit de economie weer. Eerder al waren er jubelende berichten over de woningmarkt. Nederland lijkt de weg naar boven gevonden te hebben. Zorgenkind blijft echter de werkgelegenheid. Uit diezelfde cijfers blijkt het aantal banen af te nemen. Dat heeft met een aantal zaken te maken. Ten eerste natuurlijk omdat er simpelweg banen verdwijnen naar het buitenland of door robots en computers worden overgenomen.

Waar we nu echter naar moeten kijken, is de ondernemer. Bij hem of haar moeten we zijn voor groei. De ondernemer zorgt niet alleen voor meer belastinginkomsten, voor meer koopkracht, maar zeker ook voor nieuwe banen.

De realiteit is dat 85 procent van de nieuwe banen bij de ondernemers met minder dan 25 werknemers zitten. Als je werk wilt creëren, moet je niet bij de multinationals zijn. De afgelopen decennia verdwenen 156.000 banen bij de zes grootste multinationals. Begin jaren zeventig werkten 195.000 Nederlanders bij Philips, DSM, AkzoNobel, Unilever, Heineken en Shell. Dat was 1 op de 25 werknemers. Nu nog maar 1 op de 204. Toch lijkt de ‘polder’ van werknemers, werkgevers en overheid zich te blijven focussen op de werkelijkheid van veertig jaar terug. VNO komt vooral op voor de belangen van de multinationals en de vakbonden zijn er voor de babyboomers. Twee groepen hebben echter de sleutel van groei in handen: de ondernemers en de jongeren.

Geef die ondernemer de ruimte en de banen volgen vanzelf. Is het zo simpel? Ja, zo simpel is het. Wat we nu vaak horen, is dat ondernemers huiverig zijn mensen aan te nemen, omdat de markt grillig is. Veel kleine bedrijven willen wel groeien, maar durven het vaak niet aan, omdat het risico te groot is. Als je iemand aanneemt, wil je flexibiliteit en er niet eeuwig aan vastzitten. Ik sprak onlangs een ondernemer die met vier werknemers goede zaken deed. Nu was het moment aangebroken om door te pakken, om verder te groeien. Maar toen hij zich ging verdiepen in de regels van ontslag, van ziekte, van arbeidsongeschiktheid, schrok hij daarvan terug. „Ik wacht wel even”, zei hij. Als Philips iemand aanneemt die ziek wordt of die niet functioneert, is dat geen groot probleem. Bij die ondernemer met een beperkt aantal werknemers ligt dat heel anders. De Wet Werk en Zekerheid, die voor de zomer door de Eerste Kamer is aangenomen, helpt daar niet bij. Vast is vaster geworden en flex minder flex. Kortom: de ondernemer is minder wendbaar, minder flexibel en zal dus minder banen creëren.

Er is meer. Het gat tussen wat een werkgever moet betalen voor een werknemer en wat die werknemer uiteindelijk op zijn bankrekening ziet verschijnen, is veel te groot. Ik sprak laatst een directeur van een installatiebedrijf. Hij liet me cijfers zien van een gemiddelde werknemer. Hij betaalde bijna 7500 euro per maand aan loon, premies en belastingen, terwijl de werknemer maar 2600 euro van dat bedrag terugziet op zijn bankrekening. Arbeid is te duur. Niet alleen voor de ondernemer, nee, ook de werknemer houdt te weinig over, waardoor hij minder te besteden heeft. De WIG, het verschil tussen wat de ondernemer betaalt aan loon en premies en wat de werknemer uiteindelijk op zijn rekening gestort krijgt, is in Nederland veel te groot. Daar zijn de meesten het wel over eens. Maak arbeid dus goedkoper en zorg dat de koopkracht stijgt. Je zult zien dat er veel banen bijkomen.

In alle enquêtes die ONL onder zijn leden houdt, blijkt dat dit de zaken zijn waar ondernemers tegenaan lopen. Ook is de papierwinkel en de regelzucht een doorn in het oog. Velen hebben niet het gevoel serieus genomen te worden.

Als het kabinet die economische trein definitief terug op de rails wil krijgen, kijkt en luistert ze goed naar de ondernemer. De ondernemer is de locomotief, die voor groei zorgt, voor koopkracht en voor banen.

    • Hans Biesheuvel