Sociaal kapitaal

Mijn hele financiële ziel lag op tafel. 1 september, de uiterste datum voor de aangifte inkomstenbelasting naderde, dus zat ik met een ontplofte multomap aan het bureau van een deskundige. De mevrouw, die eigenhandig een Excelbestand had geprogrammeerd, was verbazingwekkend aardig. In haar ogen draaiden eurotekens, maar ik voelde me geen moment bedrogen. Mijn onwetendheid was haar welverdiende winst.

Braaf vulde ik haar Excel in met voltooide opdrachten, gedane investeringen en gegenereerde inkomsten.

Nergens werd me gevraagd hoeveel knuffels ik het afgelopen jaar heb genoten, hoe vaak ik mijn opa en oma heb gebeld, of ik überhaupt wel ‘ik-hou-van-je’ hoorde en hoeveel slaapuren ik heb gemist om een vriend in nood bij te staan.

Sociaal kapitaal wordt niet geregistreerd. Daar is een goede reden voor. Het beschermt onze persoonlijke vrijheid. Toch is die gedroomde neutraliteit van cijfers naïef, want ondertussen beoordelen we elkaar in het echte leven – laten we zeggen het leven dat zich buiten de burelen van de belastingdienst afspeelt – voortdurend op naam, achtergrond, geslacht, gebit en d/t-fouten.

Stel dat bankrekeningnummers 627272690 en 487392018 solliciteren. De getallen, hoewel verschillend, roepen geen enkele associatie op. Vervangen we het nummer door de bijbehorende – fictieve – namen, Fadoua Zakaria en Bart Konijn, dan maakt Konijn meer kans.

Hasan, een hbo’er uit Venlo met Turkse ouders, vertelde mij onlangs, haast onverstaanbaar zacht, dat zijn uitzendbureau hem niet eens meer naar sollicitaties in het zuidelijk deel van het land stuurt. „Boven de rivieren lukt het wel, misschien.” Als zijn Limburgse tongval niet in de weg zit.

Publiekelijk klagen wil Hasan niet. Hij verkiest het stilletjes proberen boven het zoveelste eenmansschandaal dat even gretig door de media wordt opgepikt, maar er uiteindelijk toch niet voor zorgt dat institutioneel racisme werkelijk wordt aangepakt. Bovendien ontvangt hij geen fout geadresseerde mailtjes waarvan hij een screenshot op Twitter zou kunnen plaatsen, zoals Jeffrey Koorndijk destijds na een stage-sollicitatie bij een Arnhems electronicabedrijf (‘Heb nog even gekeken is niks. Ten eerste een donker gekleurde (neger)’).

De belastingdeskundige schoof mijn paspoort in een plastic hoesje waardoor het merendeel van mijn gegevens met een zwart balkje onzichtbaar werd gemaakt, beschermd tegen het oog van de kopieermachine, om identiteitsfraude te voorkomen. Maar mijn paspoort was verkeerd in het hoesje terechtgekomen. Zwarte balkjes blokkeerden mijn naam, foto, ‘V/F’ en geboorteplaats. De kopie op tafel was een kale versie van mijzelf. Informatieloos en vrij. In een ideale wereld waren we altijd zo: rijk aan onwetendheid.