Schone momenten van miserie

In de laatste aflevering van Zomergasten sprak de Vlaamse schrijver op evocatieve wijze over Vlaamse boeren, Afrikaanse verzoening en de nacht die schrijven is: „Momenten van miserie zijn vaak momenten van waarheid, van schoonheid.”

Aan het eind van de avond is het haast of ik naar een schilderij heb gekeken. Op dat schilderij staat de boom waarover kunstenaar Sam Dillemans (De waanzin van het detail, Lemaître en De Graeve, 2007) vertelt. Het is de boom die door de voorbijkomende mensen vergeten wordt of als vanzelfsprekend ervaren. Hij is niet specialer dan de andere bomen in de buurt, maar op het schilderij zie je weer hoe mooi hij is: hoe aaibaar de mossige schors, hoe fijnvertakt de nerven en hoe hoekig de takken die door de wind zijn geknakt. Er staat een huis op het schilderij, waarin een jonge Van Reybrouck tevergeefs een halfbevroren lam probeert te redden met een haarföhn. Ook wordt er met een grote lichtheid een berg beklommen: zodra van Reybrouck bergbeklimmen ‘verticaal ballet’ noemt, dansen de klimmers de helling op. Ergens anders gaat iemand juist met een olielampje een eindeloze trap af: schrijven is ‘speleologisch’ en ‘afdalen in de eigen donkerte’.

Schrijver David van Reybrouck merkt in het begin van de avond op dat hij meer kijker dan schrijver is, meer gevormd door zijn moeder, die beeldend kunstenaar is, dan door literatuur. Zijn verhaal benadrukt die uitspraak volledig – op een gegeven moment vertelt hij zelfs dat zijn oeuvre uit twee kleuren bestaat: oker en mosgroen. De okeren helft is de non-fictie, de mosgroene helft is de meer wanhopige helft, de basis, de tristesse. Zijn omschrijvingen zijn bijzonder gedetailleerd en poëtisch – van een terloopse opmerking over reggae-optredens waar ‘dichte mistbanken hangen waar je met een snoeischaar niet doorheen raakt’ tot een bewonderende uitspraak over de dichter Tsjêbbe Hettinga: ‘Hoe je je takken ver kan strekken als je wortels goed verankerd zijn’.

Niet alleen Van Reybroucks taal maakt indruk. Zijn manier van kijken nodigt uit tot concentratie, tot een bepaalde vertraging, tot meer aandacht schenken aan de wereld om je heen. Hij wil ons in zijn fragmenten schoonheid tonen – die af en toe niet vanzelf spreekt. Het gaat om de grijswaarden. Zoals bij een fragment over de Wagenia vissers uit Congo (Gérard de Boe, 1952): propaganda voor het kolonialisme, maar ook een prachtige documentaire. Van Reybrouck beschrijft treffend hoe Europeanen zich schuldig voelen over het koloniale tijdperk terwijl ze ondertussen ‘de Afrikanen’ nog altijd zien als een arm kluitje geitenhoeders in lemen hutjes. In het ijzingwekkende fragment over de Waarheidscommissie in Zuid-Afrika (Long Night’s Journey Into Day, Hoffmann & Reid, 2000) zien we hoe nabestaanden worden geconfronteerd met de moordenaars van hun familie. De moordenaars gaan na een bekentenis vrijuit. Na hun bloederige verhaal is dat idee onverteerbaar, maar Van Reybrouck geeft de Waarheidscommissie gelijk: ‘restorative justice’ bestaat, een rechtvaardigheid die gericht is op herstel in plaats van vergelding. Hierbij vertelt hij over het skiliftongeluk waarbij vijf vrienden verongelukten, veroorzaakt door een piloot die waarschijnlijk aan het stunten was. Alsof de romp van een schip openscheurt – zo beschrijft Van Reybrouck het moment wanneer hij aan de familie van zijn net omgekomen vrienden vertelt wat er gebeurd is. Tijdens het proces dat volgt, verlangt hij meer naar de waarheid dan naar het kat-en-muis spelletje dat de rechtszaak was.

De avond eindigt opnieuw schilderachtig: met beelden van wolken (Nuages, Marion Hänsel, 2001). Van Reybrouck vraagt niet om er fagot spelende kikkers of Messerschmitts in te zien – het is niet wat je ziet, maar hoe je kijkt. “Je ziet de wolken of je ziet ze niet, je bent er ontvankelijk voor of niet. Dat maakt je milder.”

    • Renske de Greef