Opinie

    • Frits Abrahams

Hosternokke

Onze vakantiebestemming was Walcheren. Als je dat zegt, zie je sommige mensen een tikje medelijdend wegkijken, alsof je herinneringen wilt ophalen aan een vakantieoord voor kinderen uit achterstandswijken. „Toen ik in Bangkok overstapte naar Schiphol, had ik nog steeds heimwee naar Australië”, hoorde ik een vrouw deze week zuchten. Tegen zo iemand zeg je niet: „Zoutelande is ook aardig.”

Toch is Zoutelande erg aardig. En Westkapelle ook. Domburg wás het, maar wordt zo langzamerhand belegerd door de toeristen en is daarmee verworden tot het Valkenburg van Walcheren (sorry Valkenburg – én Domburg uiteraard). Zoutelande en Westkapelle zijn geen mooie dorpjes, maar ze liggen wél mooi. Ze noemen het daar in Zeeland ‘de Zeeuwse Rivièra’, en dat mag ook best want als het er, zoals deze zomer, vaak warm zonnig weer is en je kijkt tussen je wimpers naar de baaiachtige kustlijn bij Zoutelande aan de Westerschelde, dan lijkt de Franse Rivièra opeens niet meer zo erg ver weg.

Het belangrijkste verschil is dan alleen nog dat er op Walcheren meer Duitse toeristen zijn. Fransen en Engelsen kom je er nauwelijks tegen, en zelfs Nederlanders zijn soms in de minderheid. Op Walcheren is Deutschland nog steeds über alles, maar dat geeft niet (meer), want Duitse toeristen zijn vooral in familieverband reuze rustig en bescheiden – daar kunnen met name Nederlanders en Engelsen in het buitenland nog een voorbeeld aan nemen.

Wij – mijn vrouw en ik – vielen Walcheren halverwege juli per trein bij Vlissingen binnen. Omdat ik gehoord had dat Zeeland zich ook culinair wil onderscheiden, en Zeeland en de visserij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, leek het me verstandig als lunch maar meteen een vissoepje te bestellen in het naast het station van Vlissingen gelegen restaurant.

Even later zat ik een beetje bedroefd naar vijf nietige garnaaltjes te kijken, die als enige vissige wezens ronddreven in een ogenschijnlijk met lauw afwaswater gevuld kommetje. Ik riep de allervriendelijkste kelner erbij en vroeg hem of de vis misschien onder de soep was doorgezwommen. Hij kwam naast mij staan, boog zich voorover naar de soep en zei met innemende oprechtheid: ,,Hosternokke, daar zit inderdaad wel erg weinig vis in.’’

Hij maakte zich met de vijf garnaaltjes uit de voeten en kwam tien minuten later bijna triomfantelijk terug met een kom, waarin vermoedelijk dezelfde garnaaltjes gezelschap hadden gekregen van vier mootjes die je met enige goede wil in verband kon brengen met vis. „De kok was het met u eens, er was iets fout gegaan”, zei hij erbij.

Ik bedankte hem, nadat ik hem nog gevraagd had wat ‘hosternokke’ precies betekende. „Dat is Zeeuws voor ‘verdomme’”, zei hij.

Vermoedelijk was hij een van de vele godvrezende Zeeuwen, want later las ik op internet dat het een verbastering is van ‘godverdomme’. Dit gebeurde op een zondag. Veel Zeeuwen zaten toen wellicht nog in de kerk, want de taxi reed ons door een uitgestorven Vlissingen naar onze vakantiebestemming verderop aan de kust. Altijd als ik in Vlissingen kom, word ik getroffen door de onbestemdheid van de stad. Ik wil er wel dood gevonden worden, maar ik geloof niet dat je daarna snel de hemel zult bereiken.

„Ik herinner me Middelburg als een mooiere stad”, zei ik tegen de taxichauffeur. Hij draaide zich naar mij om en zei zonder nadruk, maar toch beslist: ,,U vergist zich, meneer.’’

Ik begon weer van Zeeland te houden.

    • Frits Abrahams