EK toont smalheid nationale zwemtop

Sharon van Rouwendaal hield de Nederlandse ploeg bij de EK een spiegel voor. Haar medailles komen vooral uit krachttraining en oneindig veel kilometers zwemmen. Veel ingewikkelder is het niet.

Twintig kilometer zwom Sharon van Rouwendaal in open water – en nog eens 4,1 kilometer in het 50-meterbad. Toen ze haar zwembrilletje gisteravond eindelijk afdeed telde ze, overdonderd door haar eigen prestaties, bijna verlegen de oogst van twee weken Berlijn: ondanks alle spierpijn en die loodzware ledematen haalde ze twee keer goud, en twee keer zilver. Onderweg verbeterde ze vier nationale records, met seconden tegelijk. Ze heeft haar vakantie verdiend.

De ‘koningin’ van de EK, noemde de technisch directeur van de zwembond, Joop Alberda, haar. Met het oog op Rio (2016) heeft Nederland er een nieuw uithangbord bij, zei hij nadat ze de EK in stijl had beëindigd met zilver op de 400 meter vrije slag, een nummer waarop Nederland jaren niet meetelde. Maar met Van Rouwendaal, die onder anderen tweevoudig wereldkampioene Federica Pellegrini versloeg, is alles anders.

Met haar ongekende arbeidsethos en haar succesvolle EK redde ze niet alleen het gezicht van een kwakkelende zwemploeg, waarin Femke Heemskerk en Inge Dekker overigens wel een hoog niveau haalden. Van Rouwendaal (20) hield haar landgenoten ook een spiegel voor. Vorig jaar stapte ze over naar de spartaanse leerschool in Narbonne van trainer Philippe Lucas – en sindsdien staat er geen maat meer op haar progressie. De kilometervreter bezit inmiddels tien nationale records.

Toch was haar emigratie een nederlaag voor de bond, die geen adequaat trainingsprogramma kon bieden aan een talent dat zich buiten de gebaande paden – de sprint – wilde begeven. Dat gebrek is één van de eerste dingen die Alberda wil veranderen.

Met haar medailleoogst spot Van Rouwendaal ook met een andere Nederlandse traditie: waar in de zwemlaboratoria van Eindhoven en Amsterdam hard, maar uiterst gedoseerd wordt getraind, beult zij zich in een Frans buitenbad af, zonder onderwatercamera’s of wetenschappers aan de badrand. Haar medailles komen uit krachttraining en oneindig veel kilometers zwemmen, ingewikkelder is het niet.

Natuurlijk, ook in de Nederlandse school wordt hard getraind. Maar het valt op dat de prestaties altijd afhankelijk zijn van eenlingen, talenten als Pieter van den Hoogenband of Ranomi Kromowidjojo. Vier individuele podiumplaatsen op een EK – volgens Alberda een „opstapniveau” in het internationale zwemmen – is geen indrukwekkende vangst.

Ook Alberda, die dit jaar Jacco Verhaeren opvolgde als technische baas, vindt de prestaties ondermaats. Hij wil meer concurrentie en pleit voor de oprichting van zes of zeven regionale centra waar de beste jeugd wordt begeleid door topcoaches. Bovendien moeten talenten die iets anders willen dan de ‘100 vrij’ ook in Nederland op topniveau kunnen trainen.

Alberda wil meer concurrentie, meer geld zal worden uitgetrokken voor „een elitegroep” van internationale toppers, ter onderscheiding van de zwemmers die dat willen worden. De afgelopen jaren ging de volledige nationale ploeg een paar keer per jaar wekenlang op trainingsstage in luxueuze zwemparadijzen – alleen al dit jaar trainden ze in Thailand, Turkije en op Mallorca. Dergelijke privileges zijn vanaf nu voorbehouden aan de toppers. Subtoppers moeten eerst laten zien dat ze echt hogerop willen. „Het enige dat wij op het oog hebben is het winnen van prijzen”, zei hij. Om zwemmers te prikkelen hield jeugdbondscoach Titus Mennen bij zijn trainingen ‘baan 1’ altijd leeg. Die is voor topzwemmers, hield hij de talenten voor. Privileges, vond hij, moet je verdienen.

En de EK in Berlijn toonden aan, net als vorig jaar de WK in Barcelona, dat Nederland weinig echte toppers heeft. „De ondergrens van een aantal zwemmers is niet hoog genoeg”, zei Alberda. Het merendeel is hooguit Europese subtop. Sommigen staan stil of gaan zelfs achteruit, zoals Sebastiaan Verschuren en Bastiaan Lijesen. Zij moeten zich beraden op hun toekomst. Kromowidjojo deed dat vorige maand al na een slecht seizoen. Ze sloeg Berlijn over en begint binnenkort opnieuw.

Voor sommigen heeft de stagnatie te maken met de onrust die ontstond na het vertrek van Verhaeren naar Australië. In het ontstane vacuüm raakten trainers en topzwemmers hun kompas kwijt. Anderen blijven te lang hangen in hun comfortzone, terwijl nieuwe prikkels noodzakelijk zijn. Van Rouwendaal en ook Femke Heemskerk, die dankzij coach Marcel Wouda bezig is aan een knappe comeback, lieten zien hoe snel het kan gaan in een nieuwe omgeving.

Alberda ziet voor de toekomst meer perspectief, dankzij de Nederlandse prestaties bij de Jeugd Olympische Spelen. In Nanjing plukten talenten als Kyle Stolk, Maaike de Waard en Mathys Goosen de vruchten van de talentontwikkeling die jaren geleden werd ingezet door Verhaeren. Zij zullen in de toekomst met jongeren als Esmee Vermeulen en Maarten Brzoskowski de kern moeten vormen van een nieuwe nationale ploeg. „De opkomst van de jongeren moet ook meer competitie opleveren voor de rest”, zei Alberda.

De vraag is hoe de bond nu verder gaat. Alberda wil graag blijven als technisch directeur, maar alleen als KNZB zijn plannen omarmt. Binnenkort neemt het bestuur een besluit. Topcoach Wouda pleit alvast voor een verlenging van de verbintenis van ‘bondendokter’ Alberda. „Afgelopen jaar is er veel gebeurd. Joop heeft rust gebracht. Twee jaar voor de Spelen zijn we vooral gebaat bij rust en consistentie.”

    • Rob Schoof