Zo traag als een escargot

We naderen het eind van het hoogseizoen en pechcentralemedewerkers kijken reikhalzend uit naar rustiger dagen. Maar de strijd is nog niet gestreden, en zo hoorden we collega Christian, een zachtmoedige Belg, op een mooie augustusdag boos schreeuwen: „Êtes-vous complètement tombé sur la tête? Allez! Demie tour et au plus vite, espèce de...” – wat zoveel wil zeggen als: ‘Je draait maar om en je haalt ze maar op, waanzinnige zot die je er bent.’

Christian had de zorg op zich genomen voor de familie Mastenbroek, een gezin van vijf dat zich gemeld had met pech op de périphérique, een mastodont onder de Europese verkeersknelpunten.

Nu mogen Nederlandse pechcentrales geen hulpverlening bieden op de Franse snelwegen en wij vroegen mensen altijd pas terug te bellen als ze door de Fransen de weg af waren getrokken. Maar de familie Mastenbroek had dat moment toch maar niet afgewacht toen ze de achterlichten van hun auto steeds kleiner zagen worden en zelf plaatsnamen op hun koffers.

„Hij is weggereden, hij is gewoon weggereden!” riep mevrouw Mastenbroek verontwaardigd door de telefoon. „Mijn man zei iets tegen hem en toen werd-ie woedend en nu staan we langs de weg met drie kinderen, de hond en al onze bagage!”

Nu is het zo dat nergens de hulpverlening met zo’n tegenzin tot stand komt als in Parijs, maar dit was zelfs voor de Franse hoofdstad erg onaardig. Want al willen Parijse bergers vaker niet dan wel helpen, als ze uitrukken nemen ze wel iedereen mee.

Meneer Mastenbroek had het echter een goed idee gevonden om na twee uur wachten in zijn beste camping-Frans tegen de berger te zeggen dat hij hem zo traag vond als een escargot. Waarna deze de auto had opgeladen en vloekend was vertrokken. En nu stonden de Mastenbroeken enigszins verloren met koffers en hond achter de vangrail te kijken hoe hun wagen zich traag van hen verwijderde in de lange file.

Toen Christian de berger in zijn kraag greep, wist deze te vertellen: „Het zijn heel stomme Nederlanders waar jij het voor opneemt. Het is hoogseizoen, ik kan genoeg mensen helpen, dus ik help alleen de mensen die aardig tegen mij zijn en zij... zij waren niet aardig tegen mij. Het waren vijf stommeriken. Ook de kleintjes waren stom, dat heb ik gelijk gezien.”

Na een lang gesprek over hoe zorgwekkend vervelend Nederlanders waren, had Christian zijn geduld verloren en hem een zot genoemd, waarop de berger aangaf: „Ik vind u ook niet meer aardig tegen mij. Ik heb het gevoel dat ik u ook niet meer wil helpen.”

Toch liet hij zich tegen het eind van de middag van zijn beste kant zien en haalde hij het gezin Mastenbroek op, met de mededeling aan Christian: „Een beetje omdat jij steeds dreigt de autoriteiten op mijn dak te sturen, maar grotendeels omdat ik het zielig vind voor die hond.”

Ik stel me voor het een lange pijnlijke rit naar de garage is geweest waarin iedereen verstandigerwijs zweeg en de berger af en toe de hond onder zijn kin krauwde. Trouwe viervoeter, ’s mans beste vrind.

    • Aukelien Weverling