Stuur diplomaten, geen soldaten

Europa trok na WOI willekeurige grenzen door het Midden-Oosten. De dictators die de macht overnamen waren niet geïnteresseerd in de belangen van het volk. Geen wonder dat stammen en sekten slaags raakten, meent Vali R. Nasr.

De voorzichtige terugkeer van de VS naar de slagvelden van Irak doet uiteraard denken aan het onafgemaakte Amerikaanse karwei aldaar. Tegelijkertijd is het een dodelijke herinnering aan het onafgemaakte karwei van het Ottomaanse Rijk, waarmee de Arabische wereld een eeuw na de val daarvan nog altijd in het reine probeert te komen. Na de Eerste Wereldoorlog werd de Arabieren in het gebied geen goede basis gegund om stabiele, werkzame naties op te bouwen. En de afgelopen tientallen jaren zijn hun eigen pogingen daartoe merendeels mislukt.

Deze pijnlijke feiten zijn nu het duidelijkst in Irak, waar het sektarisme alle Amerikaanse inspanningen uit het verleden heeft ontkracht om een stevige pluralistische democratie te planten in een bodem die is verschraald door oude wrok, onrecht, stamgevoelens en geweld.

De huidige Arabische wereld is het resultaat van kaarten die in 1916 werden getekend door de Britse diplomaat sir Mark Sykes en zijn Franse ambtgenoot François Georges-Picot en die in 1919 de zegen kregen bij het Verdrag van Versailles. Daarna volgde Europese heerschappij over Arabische landen die alleen in naam onafhankelijk waren, waardoor deze landen sindsdien altijd met hun legitimiteit zijn blijven worstelen. Toen de Europeanen vertrokken, werden zij opgevolgd door dictators die wel over nationalisme spraken, maar die verzuimden hun eigen burgers ervan te overtuigen dat zij belangrijke deelnemers aan de natie waren.

Dit kwam omdat deze nieuwe Arabische landen door hun willekeurige grenzen blootstonden aan onafgebroken interne conflicten op grond van wedijver tussen stammen en godsdienstige sekten. Hun leiders spraken de taal van het moderne nationalisme, maar hun landen werden nooit echt verenigd. En dus overheerste één stam of sekte de andere.

De Ottomanen daarentegen wisten hoe ze met verscheidenheid moesten omgaan. Hun gedecentraliseerde model behelsde een rudimentair pluralisme dat politiek beschouwde als het streven naar een werkbaar evenwicht tussen verschillend denkende stammen en godsdienstige gemeenschappen. Vaker dan nu het geval is, konden deze gemeenschappen elkaar ondanks hun meningsverschillen verdragen en vreedzaam samenleven.

Met de mislukking van de Arabische Lente en de opkomst van een militant islamisme zien we een nieuwe explosie van tribale en sektarische geschillen. Dit is de werkelijke kern van de uitdaging die uitgaat van niet-statelijke bewegingen die proberen in onbestuurde gebieden schaduwregeringen te vormen. We hebben deze al eerder gezien in Libanon, Libië en de Palestijnse gebieden.

De Islamitische Staat in Irak en Syrië mag misschien buitenstaanders een beangstigend anders en giftiger gevoel geven, maar het is gewoon het jongste voorbeeld. En dat is niet helemaal origineel. De laatste keer dat een verbond van stammen en islamitische fanatiekelingen de kaart van de Arabische wereld veranderde was in 1925, toen de puriteinse ikhwaan-strijders (‘broeders’) van Abdul Aziz Ibn Saoed over het Arabische schiereiland raasden en een nieuw islamitisch land stichtten dat nog altijd zijn naam draagt.

Aan het einde van het imperialistische bestuur overheerste in de Arabische wereld het idee van een Arabisch nationalisme gericht op eenwording. Dit sprak zeer tot de verbeelding van de bevolking, maar Egypte, Irak en Syrië bewezen het alleen lippendienst en worstelden intussen met de vorming van een nationale identiteit uit hun scala van sekten en stammen. Toen het Arabisch nationalisme ten slotte zijn glans verloor, werd het vervangen door een andere ideologie, het islamisme. En dit lijkt dan wel groter dan enige Arabische staat, het verenigt slechts tot op zekere hoogte. De soennieten en sjiieten zijn het wel eens over een islamitische eenheid, maar niet over de vraag wiens geschiedenis, theologie en wetten hierin bepalend zouden moeten zijn of wiens sekte de leiding zou moeten hebben.

Op het ogenblik wordt de Arabische politiek bepaald door een mengeling van islamisme en nationalisme. Dit verklaart de felheid van de soennitische-sjiitische verdeeldheid. Oplevende godsdienstige identiteiten duwen tegen de grenzen van nationale staten die zijn bedacht vanuit de overheersing van het seculier nationalisme.

Het grootste deel van de vorige eeuw werd deze spanning op afstand gehouden door dictaturen, in een regionale orde die tot voor kort werd ondersteund door de VS. Maar inmiddels zijn de Arabische dictaturen op drift geraakt, en ook de orde waardoor ze in stand werden gehouden – eerst door de Amerikaanse afbraak van de staat in Irak en daarna door de volksopstanden. Nu ligt de hele regionale orde van na de Eerste Wereldoorlog onder vuur van extremisten die de islam vermengen met populisme, nationalisme en anti-imperialisme. Het Westen en zijn Arabische bondgenoten lopen alleen maar achter de feiten aan en zijn zelfs daarin niet zo goed.

Op dit moment zou Obama de onbegrijpelijke en politiek onoplosbare problemen van het Midden-Oosten het liefst door de plaatselijke bevolking zelf laten uitzoeken. Maar wat zich ontvouwt is ons uit de geschiedenis allerminst onbekend en het is ook niet bepaald een product van de Arabische geschiedenis en cultuur. Dit is een proces dat een eeuw geleden door Europa in beweging is gezet. Het nieuwe nationalisme dat op de Eerste Wereldoorlog volgde, heeft alleen stevig wortel geschoten in gebieden als Europa, waar de grenzen van de nieuwe nationale staten beter werden afgestemd op de natuurlijke etnische of taalkundige scheidslijnen.

De les is dat Amerika zijn militaire macht wel kan gebruiken om in de Arabische wereld zoals deze nu is getekend de geweldsexplosies in te dammen, maar niet om ze op te lossen. Dat zou constitutionele regelingen vergen die een waarachtige machtsdeling mogelijk maken – een hedendaagse herhaling van het werkbare evenwicht in het Ottomaanse Rijk, op een schaal van land tot land. Alleen dat zal de Arabische wereld de vrede brengen die haar aan het einde van de Eerste Wereldoorlog is ontgaan.

Dit is meer een taak voor onze diplomaten dan voor onze soldaten. We kunnen beginnen in Irak, in de hoop dat succes daar de rest van de regio ook zal helpen.